Rinus de Rat



Paragraaf 1

Rinus kijkt vergenoegd over zijn tuintje uit. Een beetje gras, een bloemetje wat insecten en een Winterkoninkje ziet hij.
Een pluk gras van 5 bij 2 centimeter, dat is alles, maar hij is tevreden. Hij heeft ook niet meer nodig. Dat is alleen maar onderhoud en hij vindt andere dingen veel belangrijker dan werken in de tuin. Het leven is veel te kort om te besteden aan onderhoud van een tuin. Vanuit het raam van zijn appartement beziet hij de straat.


Paragraaf 2

De put ligt precies in een bocht bij een kruising en met vier ramen heeft hij goed uitzicht naar alle kanten. De meeste rioolratten hebben het stukken slechter dan hij. Smalle straatjes waarbij je zo bij de put van de overbuurman naar binnen kon kijken. En dan nog de sloppenwijken; daar is helemaal geen riool en daar zijn helemaal geen putten.

Nee, hij is heel tevreden met zijn plekje en een flinke rat die hem hier weg kreeg.

De dagen van Rinus zijn voornamelijk gevuld met tellen. Tellen is zijn lust en zijn leven en hij kon er maar nooit genoeg van krijgen. Het was een tic, maar dat wist Rinus niet.  

Hij telde de auto’s, hij telde de fietsers en hij hield ook bij welke kant ze op gingen. Alles telde hij en alles noteerde hij. Als hij echt op dreef was telde hij de cijfers van de kentekenplaten van de auto's en motoren en dan had hij aan het einde van de dag wel een enorm getal. Hij genoot er van.


Paragraaf 3

Soms parkeerde een asociale automobilist zijn auto in de bocht. En dan precies met zijn wiel voor zijn ramen. Alle ramen waren dan donker. Dat gebeurde niet vaak, maar dat was dan wel het enige moment dat hij op bezoek ging bij zijn buurvrouw Ria, twee putten verderop. Hij had wel eens geprobeerd zijn werk vanaf de stoep te doen, maar dat was hem nooit goed bevallen. Hij werd dan met stokken achterna gezeten door jongeren, mannen probeerden hem te schoppen en honden te bijten.

Hij was niet bang hoor, oh nee, hij kon best van zich afbijten, maar hij had gewoon geen zin om te vechten. Hij kon z'n tijd wel beter gebruiken.


Paragraaf 4

Ria is beeldschoon. Echt een snoepje van een rat, met grote wimpers en waterige, maar prachtige ogen. Precies de kleur bruin die bij een beetje rioolrat hoort. Elegante pootjes, met soms gelakte nageltjes, een schitterende glimmende vacht en een pracht van een slanke staart.

En toch is Ria niet voornaam of overdreven deftig. Ze was in al haar schoonheid heel gewoon gebleven en daar was ze gelukkig mee.

Maar Ria had ook pech.

Ze had, net als Rinus, sowieso al niets met mensen, maar die rare druif van nummer 47 maakte het wel erg bont. Hij had zijn clico bij de straat gezet en natuurlijk weer verkeerd om. Weer met de wieltjes naar de straat. En dat moest niet. Daarom was de hele clico van de stoep gereden en omgesodemieterd, vlak voor haar raam. Dat woord dat dacht ze wel, maar ze zou het nooit hardop uitspreken, daar was ze veel te netjes voor.

Toen ze Rinus aan zag komen begon haar hart te bonken. Haar staart begon te krullen en haar vacht zo mogelijk nog meer te glimmen. Met grote blinkende wimpers kijkt ze verliefd naar Rinus. Maar die heeft daar geen oog voor. Hij wilde tellen. Autos, fietsen, desnoods mensen. Hij is niet voor niets een gestudeerde rat. Op school was hij altijd de beste.


Paragraaf 5

Maar niet de leukste. Teruggetrokken en in zekere mate verlegen en nu hij volwassen was geworden, was hij dat nog steeds. Hij zag niets van en in Ria. Niet meer dan een gastvrouw die haar appartement beschikbaar wilde stellen, zodat hij kon tellen.

Rinus komt binnen, zegt netjes gedag, zag de clico en zegt weer gedag. Hier schoot hij niets mee op, ook geen uitzicht. Ria probeerde nog wel: “zal ik even wat rommel opruimen buiten? Dan kun je tellen en even blijven?”

Maar Rinus hoort het niet echt. Gespannen denkt hij na.

Aan de overkant woont Wokkie. Een Chinese buidelrat inclusief beetje gelige huid en spleetogen. Het was een beetje een aso-figuur. Ruig uiterlijk, tatoeages, ketting om en geschoren kop. Rinus discrimineert nooit en heeft nooit vooroordelen, maar in dit geval had hij zijn mening gezet, ondanks dat hij hem nog nooit had gesproken. De naam Wokkie was hem toegedicht door de buurt.

Rinus wikte, woog en overwoog en nam een besluit: vanuit het huis van Wokkie kon hij tellen. Hij waagde het er maar op en liep de weg op.

Ria maakt een geluidje van teleurstelling, Rinus kijkt om en zag de zwarte BMW X5 niet, die de hoek om kwam scheuren.


Paragraaf 6

Rioolratten hebben zo hun eigen hemel en daar kwam Rinus aan. Maar hij zag niets. Niet dat het donker was of zo, want het was gewoon licht, maar er was niets. Alleen een bordje HEMEL. Gewoon hangend in de lucht, als dat tenminste lucht was!

Verdwaasd kijkt hij om zich heen. Gewoon zien en toch niets zien, was een rare gewaarwording. Er was ook niets te tellen.

Daar komt iemand aan. Hij kent die persoon denkt hij, maar hij komt er niet op hoe hij heet.

Hij stelt zich voor als Albert. Rinus kijkt naar de geblokte pullover en de witte sokken en vult in gedachte een achternaam in.

"Bent u hier de baas, meneer Albert?”

Rinus vroeg zich niet eens af hoe hij wist dat hij Albert heette.

“Welnee lacht de rat met de witte sokken. Ik ben slechts bediende, een doorgeefluik. De grote Opperrat krijg je nu niet te zien, maar dat komt nog wel.”

“Heet die Opperrat niet God of zo?”

“Nee, die tijd zijn we voorbij hoor. Er zijn nog wel enkele gelovige ratten op de wereld, maar dat is een achterlijk volkje in een arm en warm land, hier ver vandaan. Nee, wij hebben gewoon een Opperrat. En geen oude versleten rat met een baard, maar gewoon een moderne jonge, vrouwelijke manager.”

Rinus begon altijd te hoesten als het om vrouwen ging. Dat was zijn afleidingsmanoeuvre om geen antwoord te geven aan een vrouw of om niets te hoeven zeggen over een vrouw. Deze gewoonte was zo ingesleten, dat alleen al het woord vrouw hem aan het hoesten bracht. Behulpzaam ramde Albert hem op zijn rug en gaf hem een glaasje water.


Paragraaf 7

Toen Rinus zijn stem weer terug had, was het glaasje verdwenen. Verbaasd vroeg hij aan Albert waar het glaasje vandaan kwam en waar het nu gebleven was.

“Dat,” zei de glibberige bediende, “is het geheim van de Hemel.”

“Ik zal je verklappen dat je nu op een marktplein staat.” Zoals iedereen uiteraard, begon nu ook Rinus te twijfelen aan de geestelijke vermogens van Albert, maar hij was te zeer onder de indruk van deze persoonlijkheid, dat hij dat niet durfde. Hij zag namelijk niets. Totaal niets. Niet dat het donker was, nee er was licht genoeg. Alleen er was niets te zien. Geen boven geen onder geen voor geen achter en geen dingen. Helemaal geen dingen. Hij wist zelfs niet waar hij op stond. En stond hij wel? Hij keek naar beneden en zag zijn benen dat wel.

Ook die witte zijden sokken van Albert zag hij, maar niet waar hij opstond. Hij wilde wel een beetje uit de buurt van Albert. Vijf minuten is genoeg, maar het ging niet. Hij kon niet lopen.

Albert zag de beweging en moet lachen.

“Wij bewegen ons niet voort door te lopen, waarde vriend. We bewegen helemaal niet. Wij gaan nergens heen en komen nergens vandaan.”

Rinus verwachtte nu elk moment dat er ratten in witte jassen met dwangbuizen zouden komen.

Hij kijkt verbaasd naar Albert en net op dat moment sterft Ria op aarde. Van verdriet denken we.

Er gaat een belletje en Albert zegt met een vale glimlach: “De volgende! Vast voor jou Rinus!”


©Ghans Dorrebrein


En hoe loopt dit af?



Bestel nu de laatste paragraaf bij ghans@dorrebrein.nl

Happy end 1 euro
Ellendig end 2 euro
Horror end 3 euro
Hilarisch end 3 euro
End on request 85 euro (maatwerk)
Home