Kawouter

Op een dag, nog niet eens zo lang geleden, werd Wouter32 geboren. Een weinig originele benaming voor dit biggetje, bedacht door de boerin, die zelf Truus heette.
Wouter32 was erg klein. De kleinste uit het nest van 15. Het mamavarken, de zeug  Sus1, had maar 14 tepels en dat was voor de kleine Wouter32 wel lastig. Vechtend probeerde Wouter32 aan zijn melk te komen. Maar pas als iedereen sliep kon hij zijn slag slaan, maar dan was er vaak niet veel melk meer. Dan maar aan de biggenkorrels, waar hij eigenlijk nog te klein voor was. Het mocht niet baten. Wouter32 bleef een kleine big. De kleinste van het nest en de andere biggen noemden hem Kawouter. Daar werd hij erg treurig van. 
Neerslachtig sleepte hij zich door zijn jeugd. En zoals zovele biggen, had hij geen toekomst. Niet anders dan te worden vetgemest, doodgeschoten, doormidden gehakt, uit elkaar gesneden, vermalen en verpakt in zijn eigen darmen. En dan ook nog geen leuke jeugd hebben, dat kan toch niet zo zijn?
Met opgetrokken schouders en met grote stappen beende Wouter32 door de grote stal. Dat moest er toch wel stoer uitzien! Nou, dat was het dus helemaal niet. Sterker nog geen van de varkens zag hem en liepen hem omver. Gewond liep hij terug naar mamavarken. Net toen Wouter32 bedacht dat hij er geen gat meer in zag, zag hij het gat.
In de wand van de stal zat een gat, zo groot dat hij er vast wel doorheen paste. Dat kan natuurlijk ook! Hij bedacht een riskant plan en voerde dat onmiddellijk uit. Hij beet Wouter21 in zijn achterpoot en die begon te gillen. Moeder keek lui op, zag het bloed en begon ook te gillen. De andere 2000 varkens dachten dat het etenstijd is en begonnen ook te gillen. De boer kwam en mepte er op los met een stok en de chaos was compleet. 
Compleet genoeg voor Wouter32 om te ontsnappen.

Het ging maar net, maar hij was er uit, hij was buiten, waar hij nog nooit was geweest en dat hij nog nooit had gezien. Wat een raar groen spul op de grond. Het leken wel haren. Verderop stond een heel groot zwart varken met witte vlekken die groene haren op te eten. Er stonden ook een paar witte varkens met rare haren ook dat spul te eten.
Als een speer vloog Wouter32 over de groene haren. Weg, weg, weg. Nu geen tijd om na te denken.
Na een kilometer of wat plofte Wouter32 buiten adem op de grond. Dat is wel veilig genoeg, dacht hij. Er lag van alles op de grond maar geen biggenkorrels. Hoe kon dat nou? Hoe moest hij nu eten? Wouter32 hapte wat in het rond aan blaadjes en gras. Hij wist niet wat het was maar alles was lekker en met een rond buikje viel hij vredig in slaap.
Toen hij de volgende dag wakker werd keek hij in de ogen van een andere big. Dat was niet een van zijn broertjes en ook niet van anderen uit de stal. Hij wist even niet waar hij was en deed zijn ogen dicht. Toen hij weer keek zag hij dat de big er nog was. Wat een rare big! Helemaal zwart en een lange staart. Grote ogen en lange oogwimpers. Wel mooi bedacht hij, vooral die rode lippen en schattige kleine oortjes.
“Ik ben Rianne” zei de big. “Rianne de Rat, om precies te zijn”
“Ik ben Wouter32, maar ze noemen mij Kawouter. omdat ik zo klein ben”
“Klein?” zei Rianne terwijl zij met knipperende wimpers tegen hem opkeek,“ik vind jou juist erg groot.”
Wouter32 groeide en gloeide van binnen. Dat was hem nog nooit gezegd. En zeker niet door zo’n mooi meisje….! In één keer was hij gelukkig.
Rianne was een slimme meid vond hij. Ze wist hem van alles te vertellen over de natuur. Dat er nog meer soorten dieren waren, zoals koeien, schapen en… ratten. Maar ook dat die groene haren op de grond gras was en die andere groene dingen planten.
’s Avonds bij het open vuur vertelde ze elkaars geheimen. Zijn angsten voor het abattoir en haar angsten voor de rattenvallen, alles werd besproken. Later werden ze intiem. Het zoenen was wel lastig, maar de rest ging wel. Maar na deze daad moesten ze wel trouwen en dat deden ze ook.
Zielsgelukkig gingen ze op huwelijksreis. Stoer liep hij naast haar. Nu je groot bent moet je ook een andere naam hebben vond Rianne. Al gauw werden ze het eens over de naam Nagorlunda, die Rianne had verzonnen. Wauw, dat klonk mannelijk…!
Het zonnetje scheen, ze wandelen gelukzalig door het weiland en Rianne, met voorrood gestifte lippen, keek smoorverliefd met schittering in haar ogen omhoog naar Nagorlunda. 
Maar zag daardoor niet waar ze liep. De scherpe punten van de rattenval vouwden zich om haar halsje en knepen haar mooie kopje er af. Het warme bloed spoot over hem heen. 

Een dag heeft hij liggen huilen. Hij voelde zich heel zielig en wilde weer terug naar mama. s’Avonds waren alle tranen op en besloot dat teruggaan altijd nog kon. 
Hij dacht: “Je wordt eenzaam geboren en je gaat eenzaam dood, waarom niet in die tussentijd ook alleen?” Dat moet toch kunnen.
Hij begon te lopen. De weilanden werden bossen, de bossen werden bergen en de bergen werden woestijnen. En hij liep, liep en liep. Traantjes in de ooghoeken, tanden op elkaar en lopen.

Nagorlunda liep door de blauwe woestijn. Het water had ooit het zand blauw gekleurd. Nagorlunda liep en liep en liep. Niemand heeft ooit meer iets gehoord of gezien van hem en waarschijnlijk loopt hij daar nu nog en is heel gelukkig.


©Ghans Dorrebrein
Home