Openbaring

En die mensen die overgebleven waren,
Die niet lagen dood op de altaren,
Bekeerden zich toch niet van hunner geloof
Lieten zich niet deren van hun lijkroof
Bogen node diep naar hunne goden
Raakten niets en nimmer afgevloden

Zij dien niet konden horen
Bleven trouw aan God gezworen
Zij dien niet konden staan
Brachten niet hun tijd in lediggaan
Zij dien niet konden zien
Vonden hunne troost en vrede bijaldien

Verre van hen de boze geesten
Vierden zij stoer de lentefeesten
Riepen stillens in de nacht
De sterrenhemel in haar volle pracht
Maakte de dat zij niet meer vreesden
Zijn kinderen op aarde niet verweesden

En toch op een dag
En onderdruk uwe lach
Was het sprookje verdwenen weeral
Met de Duivel, God en de kerk en al
Maar laat het u niet zeer deren
Ooit gaan ook wij weer iets vereren


©Ghans Dorrebrein
Home