NEEF

Ik heb een neef.
Wie niet, zult u zeggen, maar ik heb een wel heel bijzondere neef. Zijn naam is Sebastiaan Lodewijk Anna Basset. Dat Anna komt door zijn vader die hem eigenlijk naar opa Anne had willen vernoemen, maar vlak voor de geboorteaangifte nog iets moest vieren met z'n vrienden van de biljartclub.
Zijn familie noemt hem Sebas, zijn vrienden Bas en ik noem hem Tuppy. Dat komt eigenlijk omdat ik een vriend heb met een hond die Tuppy heet die sprekend lijkt op Bas. Bas heeft net zulke droefgeestige ogen en hangwangen als Tuppy.
Neef Tuppy is over het algemeen genomen een aardige vent. Nooit problemen mee. Hij is iets in de veertig, heeft een goede baan als boekhouder bij een auto­bandenfabriek, een koophuis, een auto, leuke vrouw en twee kinderen. Kortom de saaiste man van Nederland, samen met nog een paar miljoen andere mannen. Het ergste is nog dat hij denkt dat hij geslaagd is in het leven.
'Count your blessings, jongen' zegt hij vaak tegen mij, en met zijn blessings be­doelt hij zijn baan, zijn huis en de hele reutemeteut. Als ik dan zeg dat ik dat behalve die baan en die kinderen ook wel wil hebben, maar dan van alles acht, zegt hij: 'wacht maar tot je zo oud bent als ik, dan waardeer je de dingen heel anders'. En dat terwijl hij amper vijf jaar ouder is.

Elke dag komt Tuppy, voorzover de Spoorwegen dat toelaten, stipt op tijd met de trein van 18.13 aan op het station, wandelt in tien minuten naar huis en leest de krant. Na het eten helpt hij zijn vrouw met de vaatwasser te vullen, want 'dat vindt ze zoveel werk in d'r eentje', drinkt een kopje koffie en dan gebeurt het. Hij wordt ongeduldig, laat het laatste slokje koffie staan en spurt naar boven, voorzover je het spurten kunt noemen, als hij zijn, door twintig jaar zittend werk, vadsige lichaam al kreunend de trap op sleurt.
Boven is de metamorfose compleet. Zijn doffe ogen krijgen een vreemde glinste­ring als hij zijn hobbykamer in gaat. Als hobbykamer heeft hij de grootste kamer van het huis genomen en hoewel zijn huwelijk saai is, ik bedoel: en hoewel zijn huwelijk goed is en er eigenlijk nooit ruzies zijn, is dit toch wel een regelmatig terugkerend twistpunt, want 'uiteindelijk hoort dit de ouderslaapkamer te zijn' vindt zijn vrouw.
Bij binnenkomst wordt je onmiddellijk verblind door ontelbare TL-buizen en speciale warmtelampen, je adem wordt ontnomen door de hoge luchtvochtigheid en het zweet breekt je uit op plaatsen waar je nooit zweetklieren had vermoedt.
In het midden van het vertrek staat een oud versleten bureau, met zo'n vieze pluche stoel erachter, voor de met hout dichtgetimmerde ramen staat een soort aanrecht met wasbak op hele wankele pootjes en de rest van de ruimte is com­pleet gevuld met allerlei soorten aquaria, terraria, paludaria en God weet wat voor aria's nog meer. Van de vloer tot het plafond zijn glazen bakken en bakjes op stellingen op elkaar gestapeld. En in al die bakken beweegt het. Ik weet niet of u wel eens een minuut of tien op een mierenhoop heeft gezeten, en dan bedoel ik na­tuurlijk niet van die keukenmiertjes, maar echt van die rode bosmieren. Nou, ik ook niet, maar ik denk dat de sensatie hetzelfde is als bij Neef Tuppy in z'n hob­bykamer binnenstappen. Overal jeuk. Goed er zit een machtig mooi zoutwateraquarium tussen vol met prachtig gekleurde garnalen. En dan niet zoals u ze kent, roze, klein en dood, maar in allerlei variaties en tien keer zo groot als u gewend bent op een toostje te doen. Een kreeft zonder elastiekjes, anemonen en schitterend koraal, een lust voor het oog. Tot ze eten krijgen. Als u nu zit te eten, kunt u beter even wachten, want dat gaat als volgt. Met een lepel neemt hij een flinke schep uit een kweekbakje met bewegend zaagsel. Op een stukje karton zoekt hij de krioelende maden ertussen uit, pakt ze met z'n vingers, ja echt, en doet ze in een theezeefje, wat hij vervolgens boven het aquarium houdt. Met de lepel vermorzelt hij de maden en drukt ze langzaam door het zeefje het aquarium in. Telkens als er een knapt vliegen de spetters geelgroene drab om je oren en probeert je maag zich in je slokdarm te verstoppen.
Ook leuk om te zien is hoe de vogelspin wordt gevoerd. Normaal gesproken eten vogelspinnen levende krekels. En hoewel dat op zich al een minder plezierig gezicht is, maakt neef Tuppy het nog een graadje erger, door de krekels met een schaar eerst te ontdoen van hun poten, omdat de vogelspin al een beetje op leeftijd is.
Als we verder in de kamer rondkijken zien we in de hoek een kooi staan met witte muizen. Niet een paar, maar honderden. De grote zijn om te fokken en de klein­tjes zijn voedsel. Voor de slangen.
Tuppy gaat helemaal uit z'n dak als een slang zo'n klein donzig wit muisje te pak­ken neemt en levend en wel langzaam in z'n geheel naar binnen werkt.

Na een eindeloos hoop gebabbel over de zelf uitgebroede (zelf!, de idioot), pasgeboren anolis - wat zo onooglijk is dat je het niet herkent als hagedis - werd ik naar een hoekje van de kamer gecommandeerd waar opnieuw een soort terrarium stond.
Voor mijn ogen begon neef Tuppy, met zijn neus tegen het glas hemipipa carvalhoi te stotteren wat later de naam van het glibberige beest bleek te zijn. Met geilspuitende oogjes en het kwijl langs zijn mondhoeken probeerde hij me uit te leggen dat hij als eerste in Nederland er in was geslaagd deze beesten te fokken. Het meeste bijzondere is dat deze beesten de baby's uit de rug baren. De bevalling werd mij bespaart  De aanblik van deze stoïcijnse kikker met achterlijk grote bologen was voor mij al genoeg.

Echt rustig zitten kun je in die kamer niet. Als je niet door een kameleon wordt besprongen, kruipt er wel iets in je broekspijp.
Toen ik op een gegeven moment iets in mijn nek voelde kriebelen en mijn gewaardeerde neef dit met zijn duim dooddrukte, was voor mij de maat vol: ik besloot er nooit meer te komen.

Alleen als ik aan iemand een vreselijke hekel heb, geef ik zijn adres nog wel eens door. Tuppy ontvangt iedereen die ook maar het kleinste beetje belangstelling toont en ik verkneukel me er al op dat die figuur er walgend en kotsend vandaan komt.

En, het klinkt ongelooflijk, neef Tuppy is nog niet eens de ergste van de familie.


©Ghans Dorrebrein

Home