Interview met Herman Brusselmans

Ik bel aan en op afstand wordt de deur geopend met een raar zoemend geluid. In de verte hoor ik gestommel en ik loop maar vast naar binnen. Wat een bende. Naast een hele stapel kratten met lege bierflesjes en een paar dozen met lege jeneverflessen liggen kranten en er staat een volle asbak.
Ik weet meteen dat ik goed zit: ik ben thuis bij Herman Brusselmans. Na enige tijd verschijnt hij ook in de gang en ik begroet hem beleefd. 
“Dag Herman Brusselmans”
“Zeg maar meneer Brusselmans, voorlopig” zei hij knorrig.
Hij heeft open sandalen aan zijn blote voeten en is hoognodig toe aan een pedicure. Verder een flodderige rok tot net boven de knie en een schabberig Hawaii shirt en daarboven een versleten zwabber, dat hij wellicht hoofdhaar noemde.
“Kom binnen, kom binnen en let niet op de rommel” 
Dat kan ik beter wel doen anders breek mijn nek.
“Meneer Brusselmans, wat fijn dat ik mocht komen voor een interview. Het komt niet veel voor dat u zich laat interviewen”
“Hoe kom je daar nou bij Jacob, ik geef bijna elke dag een interview. Zo bijzonder zijn jij en jouw krantje nou ook weer niet.”
De toon is gezet en ik zeg gedecideerd: “Mijn naam is Frederik en niet Jacob”.
“Maar ik vind dat je een Jakobskop hebt dus ik noem je Jacob. En kom nu maar mee, dan drinken we wat.”
“Woont u hier allang meneer Brusselmans?”
“Dat is geen wonen, maar overleven in deze zooi. En ja, dat doe ik al zo’n 50 jaar. Ik ben hier in Gent geboren, in dit huis en toen mijn ouders vertrokken, wilde ik ook weggaan, maar het is er nooit van gekomen”.
Midden in de kamer stond een pompeus groot bureau met daarop een oude Remington typemachine.
“Schrijft u daar al uw boeken op meneer Brusselmans?:
“Nee, natuurlijk niet, dat is alleen voor de sfeer, achter heb ik een Apple staan met drie schermen en ik weet niet hoeveel Gb’s. Ik weet ook niet waarom, maar dat heb ik wel en daar ram ik al mijn werk op”.
“En dan gaat u zeker hier zitten om inspiratie op te doen en dan rent u naar de computer en type het er op?”
“Laat me je even leren Jacob, zo doe je geen interview. Jij stelt de vragen en ik maak er dan mooi verhaal van. Dus jij zegt - waar gebruikt u die oude typemachine voor meneer Brusselmans - en dan zeg ik - hier ga ik zitten om inspiratie op te doen en dan ren ik naar de achterkamer en plemp alles op de Mac - zo hoort een interview in elk geval gaan we het zo doen het komende kwartier”.
“Eh, goed meneer Brusselmans, maar heb ik maar een kwartier?”
“Inmiddels niet meer, dus schiet op en stel korte vragen.”
Ik pakte mijn briefje en begin met: “Hoe lang schrijft u al meneer Brusselmans?“
“Gloeiende God, ga je nu vragen stellen die je zo kunt terugvinden op Wiki? Heb je je huiswerk niet gedaan? Je moet andere dingen vragen, die nog nooit iemand heeft gevraagd. Wees creatief!”
Ik verfrommel mijn briefje en gooi het in een hoek met allemaal proppen papier.
“Rotzooi maken kan ik zelf wel Jacob, raap dat maar even op en dan drinken we een Wodka.”
Ik was al gewaarschuwd, die Brusselmans gaat net zo lang door met vernederen tot je uit je vel springt, dan is hij pas tevreden. Ik laat me niet kennen en raap de prop op.
We gaan zitten. Er zijn maar twee zitplaatsen, een enorme crapaud uit de achttiende eeuw met veel houtsnijwerk en een tot op de draad versleten zitting met witte vlekken en een houten keukenstoel. Ik mag op de keukenstoel. Naast hem een familiepot chocoladehazelnootpasta, waar hij af en toe zijn vinger door haalt om een likje te nemen.
“Waarom zit u een uw zak te krabben meneer Brusselmans en waarom draagt u geen onderbroek?”
“Nooit twee vragen tegelijk stellen, maar antwoord 1 is omdat ik jeuk aan mijn zak heb en antwoord 2 is ook omdat ik jeuk aan mijn zak heb. De hele dag door eigenlijk en dat komt omdat ik veel met een veertje over mijn testikels wrijf”
Hij begint te pulken aan de kalknagel van zijn linker grote teen en gele stukjes vallen op het kleed. Nog kon ik mij inhouden en vroeg: “Hoe heet het boek dat u gaat schrijven na dit boek, meneer Brusselmans?”
“Ik ga hierna nooit meer schrijven, ik stop ermee en ga rentenieren. Ik heb zo zachtjes aan geld genoeg en zolang die idioten nog mijn boeken kopen, komt er alleen maar bij. Meer dan ik kan uitgeven in elk geval”.
Hij schenkt een dubbele Wodka in voor zichzelf en een enkele voor mij, die ik heel stoer, in één keer achterover sla, want dat hoort zo met Wodka.
“Dat is niet verstandig Jacob, zo ben je binnen de kortste keren smoorlam en kun je niet de hele dag door drinken.”
Ik laat mij dit allemaal welgevallen en vraag: “Waarom spreekt u geen Vlaams, meneer Brusselmans? U lijkt wel een Amsterdammer.”
“Ahwel manneke, ge wit toch dat ik nochtans alleen het Vlaamse spreek, wanneer ik de bloemekes buiten zet in het café, gij onnozelaar!”
Ik pak een pook van de kachel en wil hem daar een lel mee geven, maar hij begint onbedaarlijk te lachen en rondjes rond het bureau te rennen.
Dat duurt even en ik sta perplex te kijken. Eindelijk staat hij stil en zegt: “Beste Frederik, gelukkig ben je een mens en geen robot. Ik dacht even dat je geen gevoel had.”
Met uitgestoken hand komt hij op me af en zegt glimlachend: “Nu zijn we vrienden, kom mee.”
We lopen de kamer uit en komen door een paar donkere gangen en staan dan ineens in een grote open ruimte. Alles wit, de vloeren het plafond, de muren en de meubelen. Dat zijn er trouwens niet veel. Een groot wit designbureau met glazen blad en daarop zijn Mac en twee ligbanken zoals de Romeinen vroeger hadden om aan te eten, maar dan wit. Verder witte kunstplanten in witte potten. En alles verlicht door een enorme hoeveelheid TL-buizen. Hier en daar een tafeltje met een glazen pot erop met merkwaardige inhoud.
“Ga liggen, ga liggen beste Fré.”
“Frederik, meneer Brusselmans, Frederik, niet Fré!”
“Al goed, oké, Frederik, kom op met de rest van je vragen en een beetje creatief, graag.”
“Waarom zit er toch zoveel seks in uw boeken?”
“Mmmh, niet echt een bijzondere vraag maar goed, dat komt omdat ik daar altijd mee begin. Ik maak een lijstje van 10 hoofdstukken en zet in elk hoofdstuk om te beginnen een stuk of dertig woorden die met seks te maken hebben. Daarna maak ik van elk woord een zin en dan heb ik een hoofdstuk. Die hoofdstukken plak ik aan elkaar en dan heb ik weer een boek, einfach, nicht?”
“Ja, maar de samenhang, de verhaallijn, de wending en het plot dan? Hoe gaat dat dan?”
“Daar doe ik helemaal niet aan, dat is voor educatief gevormde schrijvers, ik ben een gevoelsschrijver.”
“Wat zit er in die pot daar op dat tafeltje meneer Brusselmans?”
“Dat? Dat zijn oogballen. Van plastic hoor, maar die verzamel ik en dan haal ik er af en toe een uit en die kijk ik dan diep aan en dan heb ik weer inspiratie.”
Hij plukt wat opgedroogde smeerkaas uit zijn baard, krabt nog eens aan zijn zak en pulkt aan zijn teennagel. Gelukkig heeft hij de chocoladepasta in de andere kamer laten staan.
“Aan wie heeft u het meeste hekel meneer Brusselmans?”
Ik zie dat ik hem heb verrast met deze vraag, maar hij probeert het niet te laten merken.
“Eigenlijk heb ik aan iedereen een hekel, maar er zijn gradaties. Aan mijn moeder heb ik in elk geval het minste hekel.”
Hij staat op, loopt de kamer uit en komt terug met een fles cognac en een enorme joint. De cognac drinken we om beurten uit de fles en de joint delen we ook. Een grote rookwolk uitblazend zegt hij: “Ik heb een hekel aan de Koning, aan God en aan mijn buurvrouw, maar het meeste toch wel aan mijn neefje Roderick. Een snotjong van 17 jaar die ik Pukkelmans noem in plaats van Brusselmans. Hij is bovenmatig intelligent zegt iedereen, maar ik heb er nog nooit iets van gemerkt. Gewoon een betweterig sukkeltje die alleen maar bezig is met anderen te verbeteren, liefst op verjaardagen met veel volk en altijd loopt te zeiken over mijn boeken. Hij snapt ze gewoon niet. Volgens mij heeft hij nog nooit een meisje gehad, laat staan dat hij weet wat daar allemaal mee kan.”
Ik laat hem even op adem komen, want hij is rood aangelopen en geef hem de fles. De helft van de fles is genoeg om hem tot bedaren te brengen. Hij vraagt of ik een vlecht in zijn haar wil maken, maar voordat ik nee kan zeggen heeft hij zelf al met een elastiekje een staart gemaakt.
Ik had op die ligbank nogal een onaangenaam goed uitzicht onder zijn rok op dit punt in het interview schreef ik een tekst over het formaat van zijn attribuut. Ik had de tekst eerst nog even aan hem voorgelegd, want dat wilde hij persé, en dat stukje had hij er uitgeschrapt.
“Wat is uw lievelingsgedicht meneer Brusselmans?”
Weer moet hij nadenken en dat valt niet mee. Hij blaast grote rookkringen om tijd te winnen.
“Ik vind mijn eigen gedichten toch wel de beste, vooral stom als een steen, maar de bundel Een nieuwe mongool van Jonny the Selfkicker is ook geweldig.”
“Kent u ook gedichten uit uw hoofd, meneer Brusselmans?”
“Ja, eentje. Dat is van een amateur waar ik de naam niet meer van weet, maar die gaat zo:
Ooit was het nooit
Nooit was het altijd
Soms was het nooit
Maar vaak was het altijd

Een enkele keer was ooit nooit
Maar op een keer wordt ooit altijd
En dan wordt het nooit meer nooit
Mooi, he?”
Ik geef maar geen antwoord en knik een beetje, in de verte starend. Tijd voor een nieuwe vraag.
“Meneer Brusselmans, wat is uw lievelingssport?”
“Iedereen weet dat ik niet van sport hou, dat hoor jij ook te weten. Ik ben niet alleen Bekende Belg maar ook Bekende Nederlander, althans iedereen in Nederland kent mij, dus dit moest je weten. Het enige dat ik leuk vind zijn hanengevechten en soms kijk ik wel naar stierenvechten. Als er bloed aan te pas komt vind ik het nog wel wat. Maar waar heb de dat nog met sporten? Helmen op, bokshandschoentjes aan en er komt nauwelijks bloed aan te pas, hooguit een schrammetje. De watjes. In mijn tijd boksten we zonder handschoenen en speelden we rugby zonder helm of scheenbeschermers.”
“En deed u dat ook, meneer Brusselmans?”
“Nou, nee ik niet, maar ik heb wel vaak staan kijken. Volgende vraag asjeblieft.”
“Hoe was uw militaire diensttijd, meneer Brusselmans?”
“Ja, wel goed. In die tijd moest je nog twee jaar verplicht in dienst, maar dat heb ik niet helemaal gehaald. Ik begon bij de luchtmacht, maar na een week werd ik overgeplaatst naar de vierde tankdivisie en weer een week later werd ik foerageer. Dat heb ik een maand gedaan en toen was het klaar”
Dat klinkt als iets dat niet bekend is van die Brusselmans en ik grijp mijn kans: “Waarom zat u zo kort bij die afdelingen?”
“Ach, vanwege omstandigheden buiten mijn schuld, maar daar wil het nu niet over hebben.”
Maar dat laat ik mij niet ontglippen: “Maar als vlieger in een straaljager of als bestuurder van een tank word je toch niet zomaar overgeplaatst?
Hij trapt er in en reageert: “Nee, ik heb die dingen niet bestuurt, ik mocht ze poetsen. Maar omdat het helemaal niks met seks te maken had, vond ik er natuurlijk niets aan en schreef ik er met stift maar vieze woorden op. En dat vonden ze niet leuk op een straaljager. En ook niet op een tank.”
“Dus u bent er uitgekieperd?”
“Nee, nee, welnee. Dat ging zo. Ik moest kleding en zo uitreiken aan militairen en dat is doodsaai werk. Die lui dragen allemaal hetzelfde en ik probeerde weer kleur te geven aan mijn bestaan. Van alle onderbroeken knipte ik de gulp er uit en van de BH’s knipt ik de voorpunten eruit. Ja, ja, we hadden toen ook al vrouwen bij de krijgsmacht.
Nou, en toen moest ik bij een meneer in een witte jas komen en we hebben gesproken over mijn werk. Uiteindelijk hebben we samen besloten dat dit geen passend werk was, en dat ik beter schrijver kon gaan worden want er was bij Defensie niet echt een bij mij passende job te vinden. Zo zijn we samen overeengekomen. En nu schrijf ik inderdaad.”
Ik vermoed dat ik hiermee toch wel een primeur heb en ik ben blij. Opgetogen vraag ik verder: “Heeft u nog andere hobby's naast het schrijven, meneer Brusselmans?”
“Je mag nu wel je, jij en jou tegen me zeggen hoor, maar wel meneer Brusselmans blijven zeggen.”
“Heb je nog andere hobby's naast het schrijven, meneer Brusselmans?”
“Schrijven is niet mijn hobby, maar mijn werk.” Ik heb verder, naast seks, maar twee hobby’s en dat  zijn soep en dood liggen.”
Ik verberg zoveel mogelijk mijn verbazing.
“Laten we beginnen, meneer Brusselmans, met het minst spannende, soep maken. Wat is daar nou voor hobby aan? Dat maak je en eet je toch gewoon op?”
“Ho, ho, vriend, daar vergis je je in. Ik maak namelijk allemaal verschillende soorten soep. En ik eet ze lang niet allemaal op, ik maak ze gewoon voor de leut en van de meest exotische etenswaren en lichaamsdelen. Zo heb ik al eens zwezeriksoep gemaakt met cactusstekels en bloedsoep en hersensoep, maar ook van stierenballen, biggenoogjes en geitenhoeven. Ik heb nog een hele verlanglijst van soorten die ik wil maken. Ik wil nog soep van hamsterwangen maken en van rattenstaarten, pandanavels en zeekoeienstaarten, maar daar kom je niet zo makkelijk aan. Ik heb al een aanvraag gedaan bij het Guinness book of records om daar in te komen met mijn soep, maar ik heb nog niet genoeg soorten. Maar ik kan nog even voort, want je kunt nog allerlei combinaties maken. Net als bij tomatengroentesoep, kun je ook tomatenhersensoep maken. Bij de stierenballensoep kan je ook asperges doen. Mooie sexy combinatie denk ik zo en je hebt weer een nieuw soort. Ik kom wel in dat recordboek hoor.”
“En wat doe je met de soep die je niet opeet, meneer Brusselmans?”
“Die geef ik weg, vaak aan de buurvrouw.”
“Maar je hebt toch een hekel aan de buurvrouw?”
“Inderdaad, ik haat dat mens als de pest, vandaar dat ze dit moet opvreten. En ik zeg nooit wat het is. En ik kan vanuit dat zijraam precies zien als ze zit te eten en dan geniet ik. Maar soms moet ik er zelf van kotsen als ik haar zie eten, maar dat heb ik er wel voor over.”
Ik had inderdaad in het huis verschillende plekken gezien waar iemand in een hoekje had staan overgeven en nu begrijp ik het.
“En dood liggen. Wat is dat voor hobby van je, meneer Brusselmans?”
“Dat is erg leuk. Ik voer een soort toneelstukje op van een dode en maak daar dan een foto van. Selfie heet dat geloof ik, met een statief doe ik dat. Ik ga bijvoorbeeld op de motorkap van een auto liggen, strooi wat uit een pot ketchup en hup ik heb weer een kunstfoto. Of ik ga op een begraafplaats naast een graf liggen alsof ik er zo ben uitgerold. Natuurlijk maak ik dan eerst mijn gezicht en handen wit. Maar ook op tafel met een mes in mijn rug. Ik zal je zo de foto’s laten zien.”
“Ja, leuk, maar wat zit daar achter dan?”
Ik verwacht echt geen diepgaande analyse of diagnose van deze fobie, maar hoop toch wel op een beetje een reden hoe iemand zo gek kan zijn. Er zal toch wel een verknipte oom van hem zijn die hem in zijn jeugd opsloot in een berghut zonder glas in de ramen, waardoor hij doodstil moest blijven liggen omdat anders de beren hem opaten? Of zoiets. Maar dat was niet zo.
“Ik ben gewoon gek, Frederik en daarom doe ik dat, voor de lol. Niet meer en niet minder.”
Ik overzie mijn kladblok en besluit dat ik eigenlijk nog niet genoeg tekst heb, maar dat ik wel genoeg heb van die Brusselmans. Ik verzin er thuis nog wel wat bij. Ik brei er een eind aan.
“En dan nog mijn slotvraag, meneer Brusselmans. Met wie heb je het laatste seks gehad?”
“De laatste keer met mezelf, maar daarvoor met de buurvrouw.”
“Maar…, toch weer die buurvrouw waar je zo’n hekel aan hebt?”
“Ja, daarom juist, ik ben zo beroerd slecht in seks….om te doen dan, schrijven erover kan ik wel.”
Ik kijk nog eens onder die rok en snap het.

Mijn interview werd nooit gepubliceerd door mijn krant. “Dit kan echt niet” zei mijn hoofdredacteur en ik stond op staande voet op straat.
Ik heb mijn familie en een paar vrienden maar verveeld met het interview en dat was het.
Drie maanden later kreeg ik een mail van Brusselmans:
Beste Frederik,
Je hebt natuurlijk wel gemerkt dat jouw interview niet in de krant is gekomen. Dat zit zo. Feitelijk ben jij gewoon een gebruiksvoorwerp. Ik heb met jouw krantje afgesproken dat ik een stukje schrijf over een interview dat jullie van mij namen. Jouw stukje komt helemaal niet de krant, maar mijn stukje wel. Dat zul je straks wel zien. Maar onze ontmoeting vond ik wel gezellig.
Met de warme groeten van meneer Brusselmans.

© Ghans Dorrebrein
Home