DROOM

Ik droomde dat ik in bed lag. Het was avond en de maan was geel. Klopte dat wel? Hij was echt eigeel en hartstikke fel. Belachelijk. Hij was ook veel te groot realiseerde ik me opeens. Het ding besloeg bijna het hele raam.
Ik droomde dat ik mijn ogen open deed en weer in slaap viel. In mijn droom, droomde ik dat ik wakker werd. Ik zag de zon. Hij was wit. Eigenlijk was hij veel te klein. Het was dag en toch pikkedonker. Ik viel weer in slaap. Ik droomde dat ik opstond uit m'n rolstoel. Ik was verbaasd. Ik droomde dat ik zeker wist dat ik wakker was en dat alles echt was. Na al die jaren kon ik weer lopen. M'n tenen begonnen te prikkelen. In perfecte symmetrie nam mijn verbaasdheid net zoveel af als mijn blijheid toenam. Mijn hart begon sneller te kloppen.
Een gelukzalig gevoel wolkte vanaf mijn benen naar mijn hoofd. Een ongelofelijke sensatie van blijheid. Een onvoorstelbaar intens geluksgevoel nam mij mee naar de hemel. Niets, maar dan ook niets was op dit moment belangrijker dan weer te kunnen lopen. Ik zette voorzichtig een paar schreden. Het ging! Ik was genezen. Het werd een beetje draaierig om me heen, wolken van genot bruisten door m'n hoofd. Een Godsgevoel nam bezit van mijn lichaam. Bewegen deed ik niet meer.
Ik ademde diep en gaf me volledig over aan mijn gevoel. Langzaam ging het gevoel over in uitbundigheid. Een kracht van buitenaf pompte mijn spieren op. Ik plofte bijkans uit elkaar van de spanning. Jaren van opgekropte machteloosheid werden omgezet in oppermachtigheid. Vonken sloegen van mijn lichaam. Ik kon de hele wereld aan. Ik moest een daad stellen, en wel onmiddellijk. Ik draaide me om en wilde de rolstoel door het raam naar buiten smijten.
Ik versteende. Er zat iemand in. Een verschrompeld lusteloos mannetje keek somber voor zich uit. Wie was dat? Een flits van herkenning ging door me heen.
Al die jaren dat ik in een rolstoel zat, was er nooit iemand - ikzelf ook niet - op het idee gekomen de spiegel boven de wastafel te verplaatsen naar mijn ooghoogte. Het ineengezakte uitgebluste mannetje was ik zelf.

Ik ontwaakte uit al m'n dromen en gedroomde dromen. Het was ochtend. Door het zijraam scheen de zon, door het andere raam was een waterig maantje te zien.
Naast m'n bed stond de rolstoel. Ik sloot mijn ogen, wilde het ding niet zien. Voor de miljoenste keer probeerde ik tevergeefs m'n benen te bewegen. Ik raakte in paniek. Terug naar de droom. Uit alle macht wilde ik het geluksgevoel weer beleven. Opnieuw de hele droom dromen. Van elke fractie volop genieten. Ont­spannen! Diep ademhalen. Terug. Terug.

Klaarwakker deed ik m'n ogen open. Verdomme!
Ik spande m'n spieren, klemde m'n kaken op elkaar tot oorsuizen toe. Verdomme, verdomme.
Met bloed in m'n mond en tranen in m'n ogen stortte ik in. Zelfmedelijden over­spoelde me. Nog nooit eerder had ik er aan toegegeven. Het was niet toegestaan. De maatschappij tolereerde het niet. Ik had het mezelf verboden. Het past niet, het is niet cool en het leidt tot verval.
Het was wel lekker. Een melodramatisch gevoel liet de tranen geluidloos langs m'n wangen glijden. Mijn verstand vond m'n gevoel zielig. Ergens in een hoekje van mijn gedachten zag ik de humor in van een gevoelige ziel die noodzakelijk is om een gevoel zielig te vinden. Ik kon er niet om lachen. Ik besefte ineens dat een mens heel veel tegelijk en door elkaar kan denken.
Een mannenkoor zette een triest liedje in. Met een brok in m'n keel en een water­val over m'n wangen, viel ik in slaap.

In mijn droom reed ik in m'n rolstoel over de markt. De zuster duwde mij moei­zaam door de mensenmassa. De markt is altijd heerlijk voor mij. Alles is op ooghoogte en de meeste mensen gaan wel een stapje opzij voor een rolstoel. Ik zwaaide naar een oude vriend, die mij een handje kwam geven. Over m'n hoofd heen vroeg hij aan de zuster hoe het met mij ging. Bloed steeg naar m'n wangen. Ik wilde schreeuwen dat ik invalide was en niet achterlijk, maar ik kon het niet. Mijn stembanden trilden, maar ik bracht geen enkel geluid voort. Machteloos hoorde ik het gebruikelijke: zou-het-nog-ooit-goedkomen-gelul en balde m'n vuisten. Godverdomme. Begrijpende blikken prikten in m'n rug. Nog steeds kon ik geen woord uitbrengen. Toen het geleuter op een hoogtepunt kwam en de zuster zei dat ik de laatste tijd toch wel erg onrustig was en soms zelfs wat agres­sief, plofte mijn gevoel volledig uit elkaar.Ik keek opzij naar m'n vriend, trok m'n hand omhoog en plaatste mijn elleboog recht tussen z'n testikels. 'Inderdaad, soms wel', zei ik. Ik kon opeens weer praten.

Ik werd overgeplaatst naar een tehuis voor moeilijk hanteerbare gehandicapten. Gewoon een huis voor getikte kreupelen, dacht ik verbitterd. Dat viel mee. Het was er heerlijk. Getikte mensen zijn ontzettend aardig en geinig. Je kunt fantastisch met ze omgaan. Elke dag was een feest. Waarschijnlijk ook omdat ik de enige was met armen en zodoende de enige die z'n rolstoel zelfstandig kon voortbewe­gen. Vaag moest ik denken aan een spreekwoord over een blinde koning of zoiets, maar op de één of andere manier wilde ik me dat niet herinneren.

Toen ik wakker werd keek ik in het gezicht van m'n moeder. 'Heb je gehuild, jongen?' vroeg ze zacht. Ik probeerde te glimlachen. 'Weet,' ging ze langzaam veder, 'dat er altijd één is die om je geeft', en ik wist dat het waar was.


©Ghans Dorrebrein


Home