Tante Myrtle

Ik was laatst een oude tante aan het begraven. Tante Myrtle, die ik zeker 25 jaar niet had gezien. Het was een heel aardig mens. Werkelijk de aar­digste oma, moeder, tante en zuster die er ooit had bestaan. Althans vol­gens het kaartje.
Ik reed voorop in de stoet, met m'n eigen auto, vlak achter de lijkauto. Dat wilde ik helemaal niet, maar een of andere pinguïn stond aan de start heftig te gebaren en ik dacht dat het voor mij was.
Tante was dusdanig goed verzekerd, dat er geen volgauto meer af kon. Vrekkig mens. Als er iets is wat ik leuk vind, is het wel in de rondte gere­den te worden in een supergrote auto met chauffeur. Mijn felrode Fiat Panda voldeed niet echt aan dit beeld en daarbij, als u ooit mijn vrouw had zien rijden, zou u begrijpen waarom ik liever zelf stuur.
Ik was op de heenweg anderhalf uur bezig geweest met voorzichtig aan mijn zoontje van zes uit te leggen wat cremeren was, en plukte hiervan de vruchten op het moment dat we langs de Gamma reden en hij vroeg of we geen aanmaakblokjes moesten halen. Ik gaf een ram achteruit, raakte daardoor met mijn wiel de stoeprand en met de achterkant van mijn hand raakte ik mijn andere zoon. Dit was niet de bedoeling, maar ook niet erg want hij zat keihard te lachen. Bovendien is hij veertien en dus een vrese­lijke etter. Mijn zoon van zes lachte nu ook. Ik was ontzettend opgefokt. Mijn hoofd begon de kleur te krijgen van mijn Panda, terwijl mijn vrouw ontspannen 'waarheen leidt de weg' zat te neuriën. Op het moment dat we een tankstation passeerden, verwachtte ik een opmerking van achter af. Die kwam dan ook: 'Pap, moeten dodenophaalauto's nooit tanken?'
'Dat heet een bezorgauto, en ja, die moeten ook wel eens tanken', blafte ik. Mijn ettertje van veertien begon onmiddellijk te zingen 'where ever you go, go Texaco' en ik zocht in het dashboardkastje naar een scherp voorwerp om z'n keel af te snijden. Dat mens naast me, dat nog geen zestien jaar geleden, mij eeuwige trouw, steun en toewijding en ik weet niet wat voor onzin  meer beloofde, kreeg de slappe lach en ik wist zeker dat iedereen achter ons dat kon zien.

Het personeel van zo'n crematorium is best wel aardig. Ze konden het goed verdragen dat mijn jongste zoontje niet tijdens al die toespraakjes op z'n plaats kon blijven zitten en een beetje begon rond te wandelen. Ze konden het minder waarderen dat de jongen niet met z'n vingertjes van de knopjes kon afblijven. Nadat eerst de geluidsinstallatie was uitgevallen en hij de zaalverlichting liet knipperen als in de disco, werden ze het zat toen net tijdens de toespraak van neef Lodewijk, de kist vroegtijdig begon te zakken. Met een bewonderenswaardige mengeling van gratie en ingehou­den woede, bracht de doodgraver het kind bij z'n moeder. Iedereen keek. Ik keek verwijtend naar mijn vrouw om de verantwoordelijkheid een beetje af te wentelen. Neef Lodewijk ging onverstoorbaar door met z'n speech, terwijl Tante in de catacomben verdween. Ze lag waarschijnlijk allang in de oven en de toehoorders waren bijna allemaal in slaap gevallen toen neef Lodewijk eindelijk klaar was met z'n geleuter.

Neef Lodewijk hoort bij de intellectuele tak van de familie. Hij is 45 jaar en net klaar met zijn studie filosofie, nadat hij achtereenvolgens had afgehaakt bij de studies Fysische metarfologie, Antropologie en Andrago­logie. Hij had z'n hele leven nog een geen dag gewerkt, maar sprak harts­tochtelijk over arbeidsvreugde en het zinvolle van een werkzaam leven, althans voor de maatschappelijk klasse waar wij, gewone mensen, ons in bevinden. Neem daarbij zijn kleding, een versleten spijkerbroek, een leren jasje en sandalen, plus een grijs wordende paardenstaart en een bril met veel te dik, bruin montuur en je haat zo'n vent. Ik zat in mezelf op te sommen wat ik over zijn soort zou zeggen, als ik het lef gehad zou hebben op de kansel te klimmen.
Bij de koffie sprak ik nog even met hem, maar het gevoel dat ik niets was en hij alles, werd alleen maar sterker, zonder dat ik er wat aan kon doen. Krampachtig probeerde ik deze klassestrijd te winnen door neerbuigende opmerkingen te maken. Maar zonder al te veel moeite won neef Lodewijk.
Strontchagrijnig stapte ik in de auto en om mijn frustraties een beetje kwijt te raken begon ik een beetje stoer te doen tegenover mijn gezin over de toespraak van neef Lodewijk. Ik spuwde mijn gal, gebruikte wat luxe woorden waarvan ik hoopte dat m'n vrouw ze ook niet kende en voelde me al snel beter.

Na een paar weken werden we nog drie keer geconfronteerd met de dood van tante Myrtle. Eerst kwam er een bedankbriefje voor onze gewaardeer­de aanwezigheid, daarna een brief van de notaris, waarin de verdeling van de nalatenschap van Tante, na een ingewikkelde verdeelsleutel en volgens de laatste wil van de overledene, voor ons uitkwam op € 37,55. Dat was goddomme nog minder dan dat de graftak had gekost. Tenslotte een rekening van het crematorium. Ze hadden er een monteur bij moeten halen om de elektrische installatie weer in orde te brengen.
Fijn zo’n tante.


©Ghans Dorrebrein
Home