Archibald


Bijna in trance geraakt door de prachtige zonsondergang, staarde Archibald naar het nagloeien van de Middellandse Zee die, roodgekleurd welhaast leek te trillen. Minutenlang stond hij roerloos te staren en liet zich meeslepen met zijn herinneringen. Gewillig onderging hij het melodramatisch gevoel dat over hem heen kwam. De afgelopen zestig jaren hadden hem veel plezier maar ook veel verdriet bezorgd. Zoete herin­neringen aan geliefden werden vermengd met de pijn van hun verlies. Zijn ogen werden vochtig en hij stond het zichzelf toe.
Een voorzichtige hand op z'n schouder bracht hem terug in de tijd.
'Mijn waarde vriend,' zei William, 'zullen wij ons wederom werpen op ons spelle­tje schaak? Me dunkt dat je nu voldoende tijd hebt genomen om mijn torenoffer te doorzien.'
Bij het zien van Archibald's gezicht vroeg hij bezorgd: 'Gaat alles goed met je? Kan ik iets voor je doen?'
Archibald voelde de genegenheid die zijn vriend uitstraalde. Hij kende William slechts twee weken, sinds deze in hetzelfde pension zijn intrek nam. Al vanaf de eerste avond konden ze goed met elkaar overweg. Ze hadden dezelfde leeftijd en interesses en waren beiden alleen. Na enkele dagen hadden ze hun levensgeschiedenis uitgewisseld en werden ze vrienden.
'Ja, nee, alles gaat goed, ik werd wat weemoedig door de pracht van deze natuur.'
Langzaam liepen ze terug naar het terras. Archibald verbaasde zich er opnieuw over dat hij in zo'n korte tijd, zo gemeenzaam kon worden met een vreemde. Hij had het gevoel dat hij William al jaren kende.
Archibald doorzag het torenoffer en kon er maar ternauwernood een remise uitslepen. De cognac vervolmaakte deze prachtige avond en William kon Archi­bald moeiteloos overhalen tot het voordragen van enkele gedichten van Horatius.

De volgende morgen werd Archibald uit z'n slaap opgeschrikt door een hevig gebonk op z'n deur. Hij wikkelde zich geërgerd in z'n ochtendjas en opende de deur. 'Mijnheer, mijnheer,' stamelde de liftboy, 'uw vriend is ernstig ziek. Hij vraagt steeds naar u en, en..... de manager heeft al een ambulance gebeld.'
'Wat mankeert hem?' vroeg Archibald, maar de jongen rende alweer weg. 'Ik kom er direct aan',  riep hij de liftboy achterna.
'Ik zal me toch eerst fatsoenlijk moeten aankleden, zo kan ik toch niet over de gang', mompelde hij voor zich uit. Archibald was een man met principes. Uiterlijk was zeer belangrijk voor hem en hij streefde altijd naar correctheid. In het open­baar vertoonde hij zich altijd onberispelijk gekleed en hij had 's morgens toch wel een half uur nodig om de haargroei op z'n gezicht in toom te houden. Wenkbrau­wen, snor en bakkebaarden werden tot op de millimeter nauwkeurig bijgepunt en oren en neus werden zorgvuldig ontdaan van het kleinste haartje. Narrig slaagde hij erin deze tijd terug te brengen naar tien minuten, maar toen hij op de kamer van William kwam, bleek dit nog te lang te zijn geweest, want de kamer was leeg. Beneden in de foyer hoorde hij dat de ambulance zojuist was vertrokken naar het hospitaal in Vitaroni.
Hij liet zich een taxi bellen en haalde z'n jas van boven.
Bezorgd maande hij de taxichauffeur tot spoed. De in het vooruitzicht gestel­de ruime fooi, zorgde ervoor dat ze gelijktijdig met de ambulance bij het zieken­huis aankwamen.
De brancard werd direct een behandelkamer ingereden en Archibald mocht in een wachtkamer plaatsnemen. De snelle rit met de taxi was nergens voor nodig ge­weest, want pas na twee uur kwam er iemand naar hem toe in een groen pak en met een ongelooflijke haakneus. Hij stelde zich voor als dr. Puchori.
'U is familie van de patiënt?'
'Neen, neen', antwoordde Archibald, 'wij zijn beiden op vakantie in San Vincen­zo, alwaar we hetzelfde pension bewonen. Sinds enige weken brengen wij vanwe­ge gezamenlijke interesses nogal veel tijd met elkaar door. Maar wat is de reden van deze spoedopname van William?'
'Het is u wellicht bekend dat mijnheer William ......?'
'Dupont, William Oswald Dupont', vulde Archibald aan.
'... dat mijnheer Dupont reeds vele operaties heeft ondergaan, getuige de vele littekens, en dat er bij een van die operaties een nier bij hem is verwijderd. Uit de klachten die hij nu uit, menen we te mogen concluderen dat het nu zijn andere nier is die het dreigt te begeven.'
'En.... dat betekent?'
'Een mens kan niet leven zonder nieren, mijnheer. Ik kan u helaas niet anders mededelen dan dat wij vrezen voor het leven van mijnheer Dupont.'

Aangeslagen liet Archibald zich weer in de stoel zakken en keek voor zich uit. Hij besefte ineens wat deze nieuwe vriend in zo'n korte tijd voor hem was gaan betekenen. Hij voelde nu al de pijn van het komende verlies. De schrijnende, machteloze pijn die hij zo goed kende. Al zo vele malen had het noodlot hem op de meest onver­wachte momenten in z'n greep genomen; zijn ouders op jonge leeftijd tegelijk, zijn broer die toen pas 38 was, tot twee maal toe zijn echtvrouw en, hoewel in dezen nauwelijks vergelijkingen zijn te trekken, het meest hartverscheurende, de dood van zijn zoon, zijn enig kind.

'U kunt, als u wilt de patiënt korte tijd bezoeken', verbrak de dokter zijn gepeins zacht.
'Eh....zeker. Heel graag, dank u zeer.'
'Als u mij voor wilt gaan, het is die gang in.'
Halverwege de gang draaide Archibald  zich om naar de dokter en met zijn wijs­vinger langs zijn mondhoek vroeg hij: 'Dokter, op het gevaar af u te beledigen en in de volste overtuiging van het feit dat u het uiterste doet uw patiënt te laten leven, zou ik u toch willen vragen of er misschien op een of andere manier iets gedaan zou kunnen worden, opdat hij weer kan genezen.'
Dokter Puchori keek hem niet-begrijpend aan.
'Ik bedoel, stel dat er een mogelijkheid is tot genezing, maar om een of andere reden, bijvoorbeeld door gebrek aan financiële middelen....'
'U bent weliswaar in Italië', onderbrak de dokter hem kil, 'maar dat wil niet zeggen dat iedereen hier omkoopbaar is. Bovendien.......'
'Nee, nee, nee.... neemt u mij alstublieft niet kwalijk, maar u begrijpt mij verkeerd. Ik doelde op transplantatie. Ik ben niet echt goed op de hoogte van de moge­lijkheden daaromtrent, maar ik heb wel begrepen dat zoiets een aardige som geld kost, hetgeen in dit geval niet een echte on-overkomelijkheid zou zijn.'
Enigszins milder gestemd gaf de dokter toe dat dit waarschijnlijk een mogelijkheid was, maar dat hijzelf niet de kennis en ervaring had, dit uit te voeren. Hij achtte de kans op het vinden van een geschikte donor miniem en het was nog maar de vraag of er in Italië een dokter te vinden was die de transplantatie kon uitvoeren. Boven­dien zou het zwakke hart van William de operatie aanzienlijk gecompliceerder maken. De dokter stelde voor met enkele collega's contact op te nemen en ze maakten een afspraak voor de volgende dag.

Het eerste wat Archibald opviel toen hij de ziekenhuis kamer betrad, was dat William er behoudens een paar slangetjes uit zijn neus en een paar die onder de dekens verdwenen, er niet als een zieke uitzag. Hij zat rechtop in bed en omvatte glimlachend met twee handen de uitgestoken hand van Archibald.
'Mijn beste vriend, wat ben ik blij je te zien. Ik hoop niet dat je te erg geschrok­ken bent.'
Natuurlijk ben ik geschrokken. Het gebeurt me immers niet iedere dag dat ik mijn vrienden naar het ziekenhuis zie worden afgevoerd.'
'Ach, het valt allemaal best wel mee, ik voel me alweer een aardig stuk beter.'
'Is het al duidelijk wat je precies mankeert?' tastte Archibald voorzichtig af.
'Jawel, oh, zeker wel. Ik leef op slechts één nier en ook deze is het zo langzamer­hand aan het begeven.'
'Naar mijn smaak ben je toch iets te vrolijk onder de gegeven omstandigheden. Besef je de ernst van de ziekte wel? Over het algemeen hebben mensen zonder nieren - en vergeef me dat ik het zo bot moet zeggen - niet zo erg lang te leven.'
'Inderdaad, dat weet ik heel goed. Maar,' vervolgde hij met een schuldige glimlach om z'n lippen, 'ongewild heb ik een paar flarden van jouw gesprek met dokter Puchori opgevangen en ik moet zeggen, dat ik me zeer gevleid voel voor wat jij voor mij over blijkt te hebben. En ik ben  tamelijk optimistisch daar waar het gaat om een ruilnier. Ik snap niet dat ik daar niet eerder aan gedacht heb.'
Archibald begreep eigenlijk ook niet waarom iemand, die weet dat z'n tweede nier het niet levenslang volhoudt, niet aan transplantatie denkt, maar hij zei er maar niets over.
'Hoe gaan we dat aanpakken. Zetten we een advertentie of is er een bedrijf  dat die nieren op voorraad heeft', vroeg William zich af.
'De dokter heeft connecties en hij zou wat telefoontjes plegen. Morgen weten we meer.'
Na nog wat luchtig gebabbel over van alles en nog wat, verzocht de zuster Archibald het bezoek te beëindigen en nam Archibald afscheid van z'n vriend.

Toen hij nog eens omkeek en de vrolijk zwaaiende William zag, werd hij opnieuw overvallen door een onbestemd gevoel. De hele weg terug in de taxi dacht hij er aan, maar hij kwam er niet uit wat hem nu dwars zat.

De volgende dag vond de ontmoeting tussen Archibald en de dokter plaats op de kamer van William, die vrolijk zijn gasten begroette: 'Een bijzonder goede morgen toegewenst, heren. Mooie dag vandaag', voegde hij er nog aan toe.
Archibald keek argwanend naar de dokter om te zien wat die van de optimistische kijk op de zaak van William vond, maar die liet niets merken en begon een nogal technisch detaillistisch verhaal over het transplanteren van organen in het algemeen en van nieren in het bijzonder. De dokter sprak alles nogal plechtstatig uit en keek daarbij William strak aan, die daardoor wel geïnteresseerd moest kijken, terwijl hij er vermoedelijk niets van snapte. Nu Archibald de dokter en profil zag, viel hem die merkwaardige haakneus helemaal op.
'Dus, de grootste slagingskans, en dan bedoel ik het accepteren van het lichaam van de vreemde nier, hebben we wanneer we een transplantatie doen van een nier van een familielid, van de eerste graad, dus moeder, vader, broer of zus, of een kind.'
'Van dat alles heb ik niets.... meer,' zei William.
'Dan,' vervolgde de dokter, 'is er nog de mogelijkheid een 'vreemde' een nier te gebruiken, maar dan moet wel worden voldaan aan een aantal voorwaarden. Ik zal u verder niet vermoeien met het noemen van al die voorwaarden, maar ik kan u zeggen dat de bloedgroep van die persoon in ieder geval overeen moet komen met die van u, en het zal in ieder geval een man moeten zijn. Verder is het noodzakelijk dat er een zekere mate van histocompatibiliteit, dit is dus weefselovereenkomst, tussen donor en ontvanger, aanwezig is.
'Wat voor bloedgroep heb jij, Archibald?' vroeg William plotseling.
'Ik?' reageerde Archibald verbaasd twijfelend, 'dat weet ik niet, ik heb dat nooit bij de hand gehad. Maar je denkt toch niet....?, dat zou toch al te toevallig zijn.'
"Dat zou inderdaad wel erg toevallig zijn,'  kwam de dokter tussenbeide, 'maar, als u mijnheer, bereid bent een nier af te staan ten behoeve van het leven van uw vriend, dan kunnen we uiteraard een onderzoek doen naar uw bloedgroep.'
Als een dokter het op die manier stelt, kun je nauwelijks meer nee zeggen, besefte Archibald. Hij had hier helemaal niet op gerekend, hooguit op financiële ondersteuning, maar begreep terzelfder tijd dat een twijfelend antwoord, de vriendschappelijke gevoelens tussen William en hem behoorlijk zou kunnen bekoelen.
'Nee, nee, eh... ja natuurlijk, vanzelfsprekend. Uiteindelijk heb ik twee gezonde nieren en een normaal mens kan gemakkelijk met een gezonde nier leven, nietwaar dokter?' sprak hij zichzelf moed in.

'Zeker' antwoordde dokter Puchori, 'maar, zelfs als we een geschikte donor vinden, dan nog moeten we iemand zoeken, die de transplantatie kan uitvoeren. Zoals gezegd, ikzelf heb daarvoor niet voldoende ervaring, maar ik heb een collega in Nice, en die heeft al twee maal met succes een levertransplantatie verricht. Ik ken de man persoonlijk. Het is een zeer bekwaam chirurg en als ik bij mijzelf iets dergelijks zou moeten laten uitvoeren, zou hij mijn eerste keus zijn. Echter de beslissing is aan u.'
Voor het eerst keek William bezorgd. 'U heeft,' zei hij, 'geen compadre met daadwerkelijke ervaring in het transplanteren van nieren?'
'Helaas', zei de dokter, 'binnen mijn kennissenkring ken ik verder niemand die hiertoe in staat is, maar ik wil met alle plezier een telex door Europa uit laten gaan en wellicht meldt zich een ervaren arts.'
'Wacht', riep William, 'Archie'; het viel Archibald op dat hij hem nog nooit zo had genoemd; 'als jij even mijn portefeuille uit mijn jasje haalt, hij hangt daar in die kast. Nee, die andere deur. Juist ja.'
William haalde uit zijn portefeuille een klein papiertje en gaf dat aan Archibald. Argwanend bekeek hij het gele papiertje met daarop de naam Sing Wo Kwuk en een telefoonnummer.
'Als je dit telefoonnummer eens voor mij belt. Het is het nummer van mijn vriend Kwuk, die in Zürich woont. Kwuk is een zeer getalenteerd arts van Chinese komaf en ik stel mij voor dat het voor hem een eenvoudige zaak is.'
'Het is zelfs voor de meest getalenteerde arts geen eenvoudige zaak,' sprak de dokter lichtelijk geïrriteerd, 'maar misschien is het beter als ik met het oog op de details, zelf even met deze Chinese arts bel. Ondertussen kunnen wij bij u wat bloed afnemen en wat kleine testjes doen.' zei hij, waarbij hij naar de lichtelijk achterdochtig  blikkende Archibald keek.

Pas tegen vieren kwam de dokter weer terug op de kamer van William. De testjes bij Archibald hadden niet zo lang geduurd, maar hij zat nu al de hele middag halfjes te luisteren naar zijn opgewekt babbelende vriend. Bezorgd zat hij voor zich uit te kijken. Hij zou het nooit toegeven, maar in z'n hart hoopte hij vurig dat er geen mogelijkheid was zijn nier te transplanteren.
'Ik vrees', begon de dokter, 'dat ik voor u beiden geen goed nieuws heb. Weliswaar komen uw bloedgroepen overeen, maar gezien de omstandigheden, en dan doel ik, met respect, op uw leeftijd, zou ik niet minder dan vijftig procent kans op afstoting door het ontvangende lichaam durven geven, zelfs met behulp van de meest moderne  immunosuppressiva.'
Archibald merkte dat hij al een poosje zijn adem had ingehouden en blies opgelucht alles uit.
'Voor u mijnheer,' zei dokter Puchori terwijl hij zich tot Archibald wendde, 'zou het minder problematisch zijn. U bent gezond en zult weinig merken van het leven met één nier.'
Archibald begon nu nog meer te stralen, zag dat William dat merkte en vouwde zijn gezicht weer in de plooi. 'Helaas, helaas, jammer dat het niet kan. Ik was uiteraard gaarne bereid een nier af te staan voor mijn beste vriend.'
'Echter,' vervolgde de dokter, 'uw dokter Kwuk komt hierheen teneinde zichzelf te vergewissen van de mogelijkheden.'
Terwijl het gezicht van Archibald ietwat betrok, speelde zich in de ogen van William een gemene fonkeling af, maar het viel de aanwezigen niet op.
'Dokter Kwuk neemt nog vanavond de slaaptrein en ik zal hem morgenochtend naar u toebrengen. Als u wilt mijnheer, kunt u vannacht gebruik maken van de logeerkamer van het ziekenhuis.'
Dat wilde Archibald helemaal niet en mompelde zo onduidelijk mogelijk iets over een afspraak. Hij wilde terug naar het pension, om op z'n kamer sigaren te roken, whisky te drinken en na te denken, diep na te denken.

Toen Archibald de volgende morgen de kamer van William betrad was de Chinese dokter al aanwezig. Deze kwam buigend op Archibald af en schudde hem uitbundig de hand onderwijl in perfect Engels zijn respect voor de goedheid van de donor uitend. Archibald werd een beetje week van het klamme handje van de arts, maar vooral vanwege zijn onderdanige houding. Hij keek eens naar William, die stralend het schouwspel bekeek.
'Ga zitten, ga zitten, beste vriend', kraaide William bijna. 'We hebben al een tijdje zitten praten en Kwuk geeft op voorhand al meer slagingskans dan die plattelandsdokter van hier. Ben je niet blij?'
'Oh, welzeker...., natuurlijk', bracht Archibald er met moeite uit, 'maar hoe kan mijnheer Kwuk...'
'Mijnheer Sing. Kwuk voor zijn vrienden', onderbrak William hem.
'Hoe kan mijnheer Sing,' vervolgde Archibald die een beetje afstand wat prettiger vond in de gegeven omstandigheden, 'dat nu al beoordelen?'
William keek hulpvragend naar de Chinese arts, die onmiddellijk insprong en uitlegde dat hij al een gesprek had gehad met dokter Puchori en de uitslagen van de testen al had geanalyseerd. Archibald keek ietwat beteuterd.
'Ik wil graag, uiteraard na uw volledige instemming, zo spoedig mogelijk een weefseltest op u beiden uitvoeren. Ik stel mij voor dat hedenmiddag te doen. Mocht de test positief blijken, hetgeen vanavond al duidelijk kan zijn, dan kunnen wij morgenochtend reeds de operatie uitvoeren. We zullen daar vroeg aan dienen te beginnen, want het neemt zeker de gehele dag in beslag.'

Archibald werd nu bepaald zenuwachtig en voelde het bloed uit z'n wangen trekken, hetgeen William niet ontging.
'Je hoeft je geen zorgen te maken Archibald, de kosten van de operatie zijn niet zo hoog en die neem ik zelf voor mijn rekening.'
Archibald schudde met zijn hoofd alsof er zand in z'n haar zat. Hoe kon iemand nou denken dat hij zich dáár zorgen over maakte. Geld was wel het laatste wat nu belangrijk was. Nu kwam hij erachter wat zich de laatste 24 uur langzaam was gaan vormen in z'n hoofd. Hij wilde het niet aan zichzelf bekennen en z'n geweten sprak streng tegen hem, maar hij wist het zeker: hij wilde de operatie niet ondergaan. 'Zelfs niet als je je vriend er het leven mee kan redden?' piepte een stemmetje in z'n achterhoofd. Hij wilde niet luisteren. Een ander stemmetje bedacht een hem een oplossing, waar hij wèl naar wilde luisteren.
'Ik geloof eh..... ', stamelde Archibald, 'dat ik een afspraak heb morgen. Heel erg belangrijk......kan ik niet afzeggen.....zeer spijtig.'
Er viel een stilte. William en Kwuk keken elkaar veelbetekenend aan.
'Uit medisch oogpunt gesproken,' begon de arts, 'is het niet bezwaarlijk, indien we de operatie een dag uitstellen, zodat u aan uw verplichtingen kunt voldoen. Ik zou er echter toch voor willen pleiten nog eens te bezien of u uw afspraak niet kunt verzetten. Zonder al te opdringerig te willen doen, moet ik u zeggen dat er elders patiënten op mij wachten en ik dus niet al te lang hier kan blijven.'
Uit het veld geslagen keek Archibald naar William, die hem met bijna smekende ogen zat aan te kijken. De stilte werd nu heel pijnlijk.
Met zijn rug tegen een figuurlijke muur, verdreef Archibald alle stemmetjes, veeg­de wat moed uit enkele uithoeken van zijn ziel bij elkaar en zei onverwacht: 'Wel­aan, ik zal even bellen en m'n afspraak verzetten. Dat zal wel niet veel problemen geven. Laten we gelijk beginnen.'
Opgelucht liet William zich in de kussens vallen. Deze beweging ging zo abrupt dat het infuusflesje van het rek viel. De verpleegster moest er bij komen, maar de spanning was  net als het flesje, gebroken.

Twee brancards en twee anesthesisten stonden gereed toen Archibald de rolstoel van William de operatiekamer inreed. Beiden waren zenuwachtig en praatten niet veel. Pas toen ze allebei lagen en de anesthesisten hun spuiten doseerden stamelde William enkele woordjes van dankbaarheid, nooit vergeten en eeuwige vriend­schap. Een paar tranen rolden over zijn gezicht. Archibald kreeg een prop in zijn gola en kon niets meer zeggen. Ze grepen elkaars hand, de injectiespuiten sloegen toe en genadeloos werden de lampen mistig tot het compleet donker werd.

Het dromen hield niet op. Elke keer dacht Archibald dat hij wakker was gewor­den, maar onmiddellijk was er niets meer. Dan opeens weer die zon, drie keer zo groot als normaal. Hij ging er op af maar het ding dreef steeds verder van hem af. En steeds hoger werd het geluid. Almaar  verder verdween de zon, tot ze nog maar een stipje was. Het geluid was nu trommelvliesverscheurend en net op het moment dat hij dacht er aan te bezwijken, was alles weer stil en donker. Al honderden keren was het zo gegaan. Eindelijk, eindelijk sleepte hij zichzelf over het randje en liet zich naar beneden vallen. Euforisch opende hij zijn ogen.

Zachtgroen was de ziekenhuiskamer. Hij begreep niet wat er aan de hand was en waarom hij in het ziekenhuis lag. Langzaam plakten zijn gedachten de flarden ge­heugen aan elkaar en verdwenen de zwarte gaten. Na een half uur kwam er een zuster en hij bedacht dat het maar goed was dat ze niet eerder was gekomen, want dan had hij zeker het clichématig 'waar ben ik' geroepen. En als hij ergens wel een hekel aan had, waren het clichés.
'Goedemorgen zuster, hoe maak ik het?' riep hij vrolijk.
Verschrikt keek de zuster hem aan. 'U bent wakker?' vroeg ze volslagen overbo­dig.
'Welja', antwoordde Archibald gemoedelijk 'en ik geloof dat ik me prima voel. Wat hoofdpijn, maar verder nergens pijn.'

Hersteld van de schrik sprak de zuster nu: 'gefeliciteerd mijnheer. Wij zijn blij dat u weer wakker bent. U bent, moet u weten, drie weken in coma geweest na de operatie. De operatie is overigens goed verlopen, maar er waren wat complicaties bij het narcotiseren, waardoor u niet wakker werd.'
Verbaasd keek Archibald de verpleegster aan. 'Drie weken? En wat is er dan gebeurd? En hoe maakt William het?'
'Mijnheer Dupont maakt het prima en is inmiddels uit het ziekenhuis ontslagen en naar huis teruggekeerd. Maar nu zal ik u een kalmerende injectie geven.'
'Injectie? Welnee mijn lieve mevrouw. Ik ben net wakker. Ik wil niet weer in slaap vallen.'
'Toch is dit nodig mijnheer.' en ze liep de deur uit om de injectie te halen.
Toen ze terugkwam keek Archibald haar strak aan. Zenuwachtig vroeg ze hem zich om te draaien om de injectie toe te kunnen dienen. Hij bleef liggen.

'Zuster, voordat u mij dieinjectie geeft, wil ik iets weten. Ik heb zojuist onder de dekens gekeken en ik heb mij zeer verbaasd.' De zuster keek uit het raam.
'Als ik het goed heb gezien zit mijn hele lichaam, behalve mijn armen en benen, in het verband. Kunt u mij dat verklaren?'
'Nee, nee, mijnheer,' zei de zuster nu met een rood hoofd. 'Ik kan daar niets over zeggen. Dat zult u de dokter moeten vragen'.
'Maar u weet toch wel wat er gebeurd is. Ik heb enkel een nier afgestaan. Dat kan hooguit een wondje van tien centimeter zijn. En ik zit compleet in het verband.'
'Luister nou,' stamelde de zuster, nu duidelijk uit het veld geslagen, 'we gaan toch niet moeilijk doen hè, meneer. Ik moet gewoon m'n werk doen, werkt u nou even mee, het is zo gebeurd.’
'Ik weiger absoluut verdere medische behandeling, en zeker een kalmerende injectie, mevrouw' repliceerde Archibald hautain, 'totdat ik de behandelend arts gesproken heb. Nee,' verbeterde hij zichzelf, 'sterker nog: ik eis de directeur van dit hospitaal te spreken.' en stak daarbij dreigend zijn wijsvinger uit naar de ver­pleegster.
'Heel goed mijnheer' zei ze en vertrok om even later weer terug te keren met de boodschap dat de directeur, morgen, direct na de ochtendbespreking  met de staf, mijnheer te woord zou staan.

Archibald had een slechte nacht. Onsamenhangende nachtmerries maakten hem zwetend wakker. Hij had honger, moest naar het toilet, maar kon op het knopje drukken wat hij wilde, er kwam niemand. Hij probeerde op te staan, maar kwam niet verder dan half overeind
Na een eindeloze tijd kwam tenslotte de zon op. De stilte van de nacht werd verdreven door geluiden op de gang van schoonmakers, tinkelende geluidjes van ontbijtbezorgsters en snel stappende doctoren. Iedereen liep zijn kamer voorbij, niemand kwam binnen.
Pas om kwart over negen kwam er een zuster binnen met een kar vol enveloppen, waarvan er twee voor hem waren. Hij keek van de postzegel naar de kalender aan de wand en zag dat de brief al een week geleden was afgestempeld. Ver­baasd opende hij de eerste brief.

Mijn allerbeste Vriend,

Duizend maal excuus voor de toestand waarin je je nu bevindt. Geloof me, het doet me meer pijn dan jou, dat je daar nu zo ligt. Maar ik zal probe­ren het je uit te leggen.

Reeds zeven jaar leef ik op één nier, hetgeen de eerste tijd redelijk draaglijk was, totdat twee jaar later zich de eerste tekenen van neergang van mijn andere nier aandienden. Ik kwam via allerlei omwegen in contact met dr. Kwuk die mij wel wilde opereren en van een donornier wilde voorzien. Uit nader onderzoek bleek toen dat mijn hart te zwak was voor die operatie, hetgeen onlangs nog bevestigd werd door Dr. Puchori. De enige oplossing was volgens Kwuk om ook een harttransplantatie uit te voeren, hetgeen eventueel gelijktijdig met de nier zou kunnen gebeuren. Ik hoefde enkel maar te wachten op een geschikt iemand die door een ongeval kwam te overlijden. Drie jaar heb ik zonder resultaat gewacht. Ik was tamelijk verbitterd en besloot op zoek te gaan naar een levend persoon, van wie ik de organen kon overnemen. Dr. Kwuk was, nadat ik hem een aanzienlijke som geld had toebedeeld, bereid hierin mee te gaan.

Het duurde nog lang voordat ik jou had getraceerd en jouw medische gege­vens  had achterhaald en het kostte veel moeite om jou 'toevallig' te ontmoe­ten en vriendschap te sluiten.

Denk niet dat ik onze vriendschap volledig heb gespeeld, want ik vind je echt een bijzonder aardig mens. De weken die ik met jou heb doorgebracht waren voor mij zeer waardevolle weken, die ik nooit zal vergeten. Maar mijn verlangen om normaal te leven was groter dan mijn vriendschap voor jou. Het was sterker dan ik.

Het zal je echter niet zijn ontgaan dat je nog leeft en dat komt omdat ik dr. Kwuk zover heb gekregen, mijn hart bij jou te implanteren.

Nogmaals vele excuses voor het wegnemen van je nier en hart, en weet dat ik je eeuwig dankbaar zal zijn.

By the way, ik vergeet nog iets te vertellen. Het was je misschien niet opge­vallen, dat ik in zwembroek meer op een vrouw leek dan op een man, maar al mijn hele leven heb ik last van een te klein geslacht. Ik ben na het overlij­den van mijn vrouw zo vaak uitgelachen door prostituées, dat ik deze kans niet kon laten gaan. Bovendien kun jij met mijn zwakke hart toch niet veel uitrichten. En ik moet je complimenteren, want hij is prima van formaat en doet het perfect.

Ik wens je nog een prettig leven verder
Je toegenegen vriend,

William Dupont


Verdoofd bekeek Archibald het zwarte randje op de tweede envelop.

Bij de rouwkaart zat een klein briefje van z'n hospita.

Geachte heer,

Ik weet niet goed welke verhouding u had met Mijnheer Dupont, maar om­dat uw naam in zijn adresboekje voorkwam, zend ik u hierbij zijn overlij­densbericht. Mijnheer Dupont is overleden aan een hartstilstand en is inmid­dels gecremeerd. Gelukkig zijn er geen nabestaanden, want mijnheer Du­pont is onder wel zeer gênante omstandigheden, bij een prostituée, overle­den.

Mijn welgemeende condoléances.

Hoogachtend,
mevrouw G. W. Saltarello







©Ghans Dorrebrein






Home