Dokter Sheldon

Wanneer je op de snelweg van Harrington naar Bradford de afslag Cottonbridge neemt en je gaat bij de T-splitsing linksaf in plaats van rechts naar Cottonbridge, kom je na een mijl of vier in het plaatsje Deerskin. Ben je daar doorheen dan kom je op een smal weggetje, wat nauwelijks die naam verdient, zonder zijwegen, alleen zo nu een dan een zandweggetje naar een weiland of een bospad. Na ongeveer vijf mijl kom je dan in het gehucht Agreable.
Die naam is ooit in de zeventiende eeuw bedacht door een Fransman die zich daar een landhuis had laten bouwen en de bewoners van het dorp zullen het u heden ten dage nog kwalijk nemen, als u de naam uitspreekt als het Engelse agreeable, terwijl het toch dezelfde betekenis heeft. De Godsvruchtige Fransman Fredrick Dupont liet vlakbij het landhuis een prachtig kerkje bouwen en daar omheen enkele knechtenwoninkjes.
Later, aan het einde van de achttiende eeuw werd de Franse familie Engeland uitgejaagd en het landhuis platgebrand. De arbeiders verdeelden het landgoed en gingen verder als zelfstandige boeren.
In 1928 was Agreable uitgegroeid tot wat het nu nog is, een dorpje met zo'n veertig huizen, een dorpscafé en een heuse winkel, waar vrijwel alles te koop was.

Het moet omstreeks die tijd geweest zijn, dat zich in het dorpje een arts vestigde. Tot dan hadden de bewoners hun medische hulp altijd in Cottonbridge moeten zoeken, wat toch altijd met paard en wagen nog meer dan drie kwartier rijden was en men was dan ook zeer enthousiast over zijn komst.
Dokter William D. Sheldon, was achtenvijftig jaar en een deftige heer. Een beetje plechtstatig soms, maar de dorpsbewoners keken, hoewel argwanend, zeer tegen hem op en behandelden hem met respect. Hij had de ruïne van het landhuis, even buiten het dorp, voor een deel laten herbouwen. De voorzijde van het pand was voor de helft spreekkamer en behandelkamer terwijl de andere helft bedoeld was als huiskamer, keuken en eetkamer. De achterkant van het huis bestond uit een grote zaal waarvan niemand precies wist wat er in stond. Sommige patiënten hadden tijdens een consult weleens door een openvallende deur, allerlei appara­tuur zien staan en in het dorp werd dan ook algemeen aangenomen, dat zich daar een laboratorium bevond.
Hoewel de dokter vaker als veearts werd geroepen dan als huisarts, had hij het toch niet erg druk in de kleine gemeenschap en kon zodoende veel tijd besteden in, wat de dorpsbewoners zijn laboratorium noemden. In het begin had hij een roos­ter gemaakt met 's morgens spreekuur en 's middags visites afleggen, maar na een paar dagen op patiënten wachten had hij deze 'grote stad' gedachte laten varen en was nu gewoon beschikbaar als men hem nodig had.
Wat dokter Sheldon in zijn laboratorium deed, was niemand duidelijk. Hij praatte er nooit over en niemand durfde er rechtstreeks naar te vragen. Hij was trouwens helemaal niet zo'n prater. Behalve wat hij beroepsmatig tegen zijn patiënten moest zeggen, zei hij nooit iets. Hij had in het dorp geen kennissen of vrienden en ver­toonde zich nooit in het dorpscafé. De enige keer per jaar dat hij van gemeenschapszin liet blijken was tijdens het lentefeest. Deze traditionele gebeurtenis woon­de hij altijd enige uren bij. Uiterst correct gekleed in zwart pak met vest en bol­hoed, in zijn rechterhand de paraplu, begaf hij zich tussen de dansende en feesten­de mensen.
Kennelijk wilde hij op die manier zijn sociale contacten onderhouden, hetgeen bij hem uitsluitend bestond uit het informeren naar iemands gezondheid en hooguit een keer naar de vorderingen van een schoolgaand kind. Het was een keer voorgeko­men dat hij interesse aan de dag had gelegd voor een boer die hij niet kende, omdat hij hem nog nooit op z'n spreekuur had gehad. De boer had in z'n jongens­jaren met zijn vinger tussen twee molenstenen gezeten en moest dientengevol­ge met negen vingers door het leven. Hij wilde alles weten over wat er was ge­beurd en vooral hoe het genezingsproces was verlopen. De boer kon daar niet zoveel zinnigs over zeggen, maar nog weken daarna werd de belangstelling van de dokter voor dit geval in het café besproken.
Tegen de tijd dat de mannen teveel op hadden en brutale vragen begonnen te stellen, vertrok de dokter altijd weer snel naar huis, maar niet nadat hij de dames beleefd had toegeknikt en de dominee een hand had gegeven.

Rose, kwam nooit op het feest. Rose was de zestigjarige huishoudster en toever­laat van de dokter. Ze was zo mogelijk nog meer in zichzelf gekeerd dan de dok­ter.
De dominee vond haar niet knap, de dorpsbewoners vonden haar lelijk en de kinderen van de dorpsbewoners vonden haar oerlelijk en afschuwelijk.
Moeders dreigden hun ongehoorzame kinderen geregeld met de komst van Rose.
Het is niet bekend hoe de dokter over haar uiterlijk dacht, maar het moet gezegd worden, ze was niet het toppunt van schoonheid. In feite miste ze zo ongeveer alles, wat een mens aantrekkelijk maakt in de ogen van andere mensen. Haar lichaam kon de vergelijking met een Neandertaler ruim doorstaan, met daarbovenop een groot vierkant hoofd, uitpuilende ogen en veel te grote oren. Haar gezicht was behalve met enkele wratten, gesierd met overdadig veel haar, ook op plekken waar zelfs mannen geen haargroei hebben. Het geheel was voor een argeloze aanbeller voldoende om onmiddellijk rechtsomkeert te maken. En als het dat niet was, dan nam men toch wel de benen zodra ze geluid begon te maken. Haar stemgeluid was gelijk aan die van een sergeant die zijn hele leven sigaren had gerookt en ze daarbij, tegen alle zinnen in, diep had geïnhaleerd.

Rose kwam maar eenmaal per week in het dorp om het boodschappenbriefje te brengen. De boodschappen werden dan door Worby thuisgebracht. Worby was de eigenaar van de dorpswinkel en heette eigenlijk Wilberforce Lotterby, maar een of andere grapjas had in het café deze samenvoeging bedacht en Worby, goedmoedig al hij was, had hier geen problemen mee en liet het zo bestaan.

Worby zette de twee zakken boodschappen bij Rose op de keukentafel en plofte op een keukenstoel.
'He, he, warm vandaag he?'
Rose murmelde wat, gooide lomp wat potten en pannen omver, schonk een mok thee in en zette deze hard neer op tafel voor Worby. Hij was wel gewend aan haar manier van doen, maar hij vond het niet leuk.
'Voorzichtig toch, meiske, zometeen ligt het over tafel.'
Rose was normaal gesproken altijd redelijk bedaard en voorzichtig met de spullen, maar als Worby er was, werd ze zenuwachtig en onzeker en ging er van alles mis. Ze struikelde over een emmer of ging naast de stoel zitten. Worby, die haar niet anders dan zo kende, vroeg zich vaak af hoeveel vaatwerk zij in de week zou verspelen.
Rose pakte een mok thee voor haarzelf en ging zitten. Dit keer ging het goed. Ze staarde uit het raam en nam niet minste moeite een gesprek te beginnen. Na een paar minuten nam Worby het woord en probeerde voorzichtig: 'Ik hoorde dat de dokter zijn vinger in het verband had?'
Dit had hij misschien beter niet kunnen zeggen. Ze fronste haar borstelige wenkbrauwen zo hoog op dat haar onderkinnen werden gladgetrokken.
'Wat bedoel je', schreeuwde ze opspringend, daarbij een halve mud aardappelen van tafel mikkend. Ze was dan misschien een beetje verliefd op Worby, de dokter was haar alles en als er iemand ook maar een verkeerd woord over hem zei, was ze tot alles in staat. Zelfs de geringste opmerking over dokter Sheldon maakte haar furieus.
'Rustig maar Rose, het zijn maar roddels. Je weet toch hoeveel er wordt gebab­beld in het café en het meeste is natuurlijk verzonnen'.
Bliksemstralen spoten uit haar ogen toen ze met gestrekte arm naar de deur wees en bulderde: 'Eruit, je komt hier alleen maar om mij uit te horen en alles weer door te vertellen in die stomme kroeg van jullie. Ik word misselijk van jullie.'
Rose leek wel twee keer zo groot als normaal en drie keer zo lelijk en Worby kreeg dan ook een beetje raar gevoel in z'n onderbuik.
'Maar lieve Rose, ik bedoelde er echt niets mee. Ik hoorde het van Wooker die het weer van Stones had. Zijn vrouw was namelijk bij de dokter geweest met de kleine omdatie maagpijn had en....'
'Ik ben je lieve Rose niet', zei ze, terwijl ze nog steeds bewegingsloos naar de deur stond te wijzen, 'en maak nu dat je wegkomt.'
'Maar, is het waar?' probeerde hij nog, daarbij een trap onder zijn achterwerk riskerend. De ogen van Rose waren voldoende en hij verdween in een behoorlijk tempo de gang in, waar hij tegen de dokter opbotste.
Enigszins verbaasd informeerde de dokter gewoontegetrouw naar Worby's ge­zondheid. Die stamelde dat alles in orde was en wilde de deur uit rennen. Bij de buitendeur realiseerde hij zich z'n eigenaardige gedrag en draaide zich om, om fatsoenlijk van de dokter afscheid te nemen. Worby stak z'n hand uit en de dokter kwam naderbij. Vanuit zijn ooghoeken zag hij iets wits, maar hij dorst niet te kijken. Toen de handen ineen gingen verstarde Worby. Hij voelde het verband. Zijn kleinburgerlijkheid werd niet doorzien door dokter Sheldon en hij was net van plan, nu anders dan uit gewoonte, te informeren naar de gezondheid van Worby, en met name naar zijn geestelijke gezondheid, toen Worby gezwind het huis verliet.
Als een speer rende Worby met z'n handkar naar het dorp. Kinderen renden luid joelend met hem mee. Hijgend ging hij The Corner binnen en plofte op een bar­kruk.

Het dorpscafé heette The Corner, en het is niet zo gek dat de zeldzame bezoeker van Agreable vreemd opkeek bij deze naam, want het café was ingebouwd in een rijtje van drie huizen. Precies in het midden. Wooker, de eigenaar en kastelein van het café, was ooit eens in Londen geweest waar negen van de tien pubs The Corner heetten en vond het erg professioneel om zijn café ook zo te noemen.
'Ik ben bij de dokter geweest', bracht hij zwaar ademhalend uit, 'en het is waar, zijn vinger zit in het verband.'
Er viel een stilte in het café. Van alle vijf de bezoekers vielen de monden open en Wooker brak het glas, waar hij net een doek in zat te proppen. Bloed druppelde uit een sneetje in z'n vinger. Niemand maakte de voor hand liggende grap over de overeenkomst met de dokter. Hij vloekte onevenredig hard en draaide de doek om z'n vinger.
Normaal gesproken zou een dergelijk voorval, zelfs niet in een bekrompen, kleingeestige gemeenschap als Agreable, leiden tot zo'n consternatie. Het zou hooguit bij gebrek aan betere gespreksstof, zijdelings genoemd worden.
'Zie je wel, er is meer aan de hand,' verbrak Stones de stilte. 'ik heb het wel gezegd, er is steeds wat met die dokter. We moeten dit tot op de bodem uitzoe­ken.'
'Stones, je bent boer. Ga nou niet de detective uithangen' riep een vadsig lichaam in uniform van de andere kant van de bar. 'Het valt heus wel allemaal mee. De dokter heeft zich gewoon gesneden tijdens een operatie op een koe of zo', suste de klabak.
'Dan zou ik het toch zeker moeten weten' antwoordde de vijfendertig jarige Stones agressief, 'ik ben de enige hier die koeien heeft. Nee, ik zeg je: dit wordt narigheid'.
Wooker, die uiterlijk erg cool was, maar graag het vuurtje opstookte zei: 'Het is natuurlijk wel erg vreemd, het oor van de dokter zit nu al twee weken in verband en sinds een week loopt de dokter een beetje mank. En nu dit weer....' Hij klakte veelbetekenend met z'n tong, hetgeen genoeg was als startsein voor een heftige discussie.
Al gauw waren de aanwezigen verdeeld in drie kampen: de pro-dokters, de antidokters en de klabak die alles zat te vergoelijken, voornamelijk omdat hij bang was dat er werk uit zou voortvloeien. De antidokters bedachten, onder aanvoering van Stones, de merkwaardigste scenario's. Bijvoorbeeld dat de verwondingen werden toegebracht door Rose, of dat de dokter gevaarlijk bijtende reptielen kweekte in zijn laboratorium. De meest milde versie kwam, hoe kan het ook anders, van Worby: De dokter liep de beschadigingen op na overmatig alcoholge­bruik. Nadat een poosje spoken en buitenaardse wezens de revue waren gepas­seerd, kwam het gezelschap, met uitzondering van een sputterende politieman, tot de slotsom, dat een onderzoek  noodzakelijk was. Ze besloten elk, in de komende tijd de dokter te consulteren en hun bevindingen over precies twee weken, hier  met elkaar te delen.

Stones was de volgende dag de eerste die de dokter bezocht, maar was zo opgewonden dat hij was vergeten een reden te bedenken voor het bezoek. Na wat ongelukkig gestuntel, kwam hij niet verder dan hoofdpijn, waarvoor de dokter hem enkele pijnstillers verstrekte. Niet veel wijzer geworden keerde Stones weer terug. Andere dorpsbewoners gingen met de meest merkwaardige verzinsels naar de dokter maar werden ook niet veel wijzer.
Voordat de twee weken om waren, haalden de gebeurtenissen, het onderzoek in.

Eerst was daar de bevalling van de al wat oudere Mary Smith. Hierbij droeg dokter Sheldon een wollen muts, die in het heetst van de strijd om het jonge leven, iets van het hoofd gleed. Darbij werd het linkeroor van de dokter zichtbaar. Althans de plek waar dat oor hoorde te zitten. Ann, de vroedvrouw, was de enige die het zag en slaakte een kreet van afschuw toen ze het lelijke litteken zag van een afgerukt oor. Dokter Sheldon schrok, draaide zich om en zag de verschrikte vroedvrouw naar de zijkant van zijn hoofd staren. Snel zette hij zijn muts weer op en met een rood hoofd bracht hij de baby ter wereld. Direct daarna vertrok hij zonder wat te zeggen en ging naar huis.
De achtenvijftig jarige Ann, het prototype van de koelbloedige en kordate vroedvrouw, trok zenuwachtig met de rechterkant van haar bovenlip en knipperde veel te vaak met haar ogen, toen ze het verhaal, bij gebrek aan een achtgenoot aan haar nicht vertelde. Ze liet nicht Angie geheimhouding zweren en vertelde het verhaal zo plastisch dat ze, als vroedvrouw toch wel iets gewend, er zelf misselijk van werd.

Het tweede voorval gebeurde diezelfde avond. Stones verhief in The Corner zijn stem en meldde agressief dat hij zelf wel eens even polshoogte zou gaan nemen bij het huis van de dokter. Stoer stond hij van zijn kruk op en liet zijn vingerkootjes kraken. Hij keek de kroeg rond en genoot van de blikken van ontzag. Sommigen knikten meewarig hun hoofd en normaal zou Stones daarop onmiddellijk op afgaan, want hij was gek op conflicten, maar nu vond hij het zonde zijn pose hieraan op te offeren. Statig verliet hij het café en haalde thuis een stormlampje wat hij met papier afplakte zodat er maar een heel dun streepje licht uitkwam.
De eerste tweehonderd meter stapte hij fier door het dorp. Daarna werd het minder. Een vreemd gevoel in z'n knieën verwonderde hem en hij rechtte zijn rug. Een echte Stones is nooit bang hield hij zichzelf voor.
De verlichte ramen van het laboratorium van de dokter deden hem stoppen. Weifelend sloop hij verder, keek het keukenraam in en zag Rose druk in de weer met brooddeeg. Hij was blij dat hij dat deeg niet was.
De ramen van het lab waren van binnen afgeschermd met doek en Stones ging op zoek naar een gaatje of een kiertje. Voorzichtig sloop hij van raam tot raam, struikelde over een tak en stond ademloos te luisteren of iemand hem had gehoord. Geen enkel raam gunde hem een blik naar binnen. Na even besluiteloos rond te hebben gekeken legde hij zijn oor op de ruit. Hij hoorde van alles maar herkende niets. Met zijn vinger in z'n ene oor en zijn andere oor stijf tegen het raam gedrukt, begon hij geluiden te onderscheiden. Hij hoorde de dokter lopen, een stoel werd verschoven en metalen voorwerpen werden uit metalen bakjes gehaald en weer teruggegooid. Gespannen probeerde Stones beelden te vormen bij deze geluiden en deed daarbij zijn ogen dicht.
Een harde schreeuw vanuit het laboratorium veroorzaakte een reflex bij Stones en een schokbeweging van zijn hoofd waarbij het ruit aan diggelen ging. Met bloed op zijn wang viel Stones achterover en hij bleef met z'n ogen dicht liggen om z'n bonzend hart tot rust te laten komen. Ergens ging een deur open wat Stones er toe aanzette met grote snelheid te vertrekken. Terwijl hij overeind krabbelde vloog een koperen ketel, die kennelijk voor zijn hoofd was bedoeld, laag over. Hij keek om en zag het silhouet van  Rose die zich met wilde zwaaibewegingen klaarmaakte om de tweede ketel te lanceren. Ook deze raakte niet het doel, maar wel z'n schouder. Even stond Stones stil bij de kracht van Rose en nam toen een enorme spurt in het duister in.

Hijgend, hoestend en met z'n gezicht en hemd vol  bloed struikelde hij de The Corner binnen. Even was het stil. Toen verdrong iedereen zich om het slachtoffer, behalve het dikke lijf die zijn ogen ten hemel sloeg omdat hij bang was dat hier werk uit kwam. Niemand nam de moeite de wonden van Stones te verzorgen. Allemaal snakten ze naar het verhaal wat dit bloedbad had veroorzaakt. Hortend en stotend vertelde Stones zijn verhaal en het was een verhaal van niets. Behalve de schreeuw van de dokter was er eigenlijk niets te vertellen. Teleurgesteld liepen de gasten in groepjes van twee of drie druk pratend bij onze held weg.
Het was ver na middernacht toen eindelijk de laatste gast teveel had gedronken en naar huis waggelde.

De volgende dagen hing er een matte stemming onder de bevolking van het dorp. Er werd nog wel over gepraat maar er gebeurde niet veel. Het geroddel werd even iets heftiger toen op een ochtend opeens Rose bepakt met twee enorme koffers en een paar hoedendozen richting Deerskin vertrok. Worby die haar zag vertrekken, rende haar na, maar Rose liet alleen los dat ze naar haar zuster ging en nooit, maar dan ook nooit meer terug kwam. Even verzachtte haar harde blik en met een klein traantje in haar ooghoek pakte ze Worby's hand, die onmiddellijk terugtrok omdat ze zo allemachtig hard kneep. Ze zuchtte nog eens diep en vertrok.

Opnieuw was het rustig in het dorp en rondom het doktershuis. Er hing een briefje buiten aan de afgesloten deur waarin, wegens ziekte van dr. Sheldon, werd verwezen naar een arts in Cottonbridge. Dag en nacht brandt er nu licht in het laboratorium.

Puffend kwam een vet lichaam The Corner binnen, zwaaiend met een telegram. 'Ze komen, ze komen,' hijgde de veldwachter.
Hij had zich toch schuldig gevoeld dat hij niets aan dit rare geval had gedaan en zoals altijd: luie mensen hebben de beste ideeën. Hij had al z'n moed verzameld en de districtscommandant van de Landelijke Recherche per brief gevraagd een onderzoek in te stellen. Hij was nu mooi van de verantwoording en het werk af.
En ze kwamen. Drie mannen met regenjassen en gleufhoeden en twee mannen met bijlen, zagen en houwelen.
Trots liep de klabak voor ze uit naar het huis van de dokter met daarachter een sliert nieuwsgierige dorpsbewoners.
Gewichtig hield hij de nieuwsgierigen op afstand terwijl de mannen de deur met bijlen bewerkten.

Binnen lag het stoffelijk overschot van wat eens de dokter was geweest. Het was een romp zonder benen, met één arm, waarvan de hand was ontdaan van drie vingers. Oren, neus en geslachtsdelen waren verwijderd. Alles was keurig verbonden. Het had alle schijn van een marteling waarbij men de dood zo lang mogelijk had willen uitstellen.

Een grootscheeps onderzoek ving nog diezelfde dag aan. Een rechercheteam van 15 man werd geïnstalleerd, maar het was met twee uur bekeken.
Door het hele laboratorium stonden grote en kleine glazen potten met daarin de aan het lichaam van de dokter toebehoorde onderdelen, in hele kleine stukjes. Zo werd de linkerhand teruggevonden in dertien potjes met stukjes vinger en negen potjes met stukjes van de hand. Zo ook de oren, de geslachtsdelen en de tenen. In grotere potten zaten de benen in stukjes van een centimeter of tien. Voorts een honderdtal potjes met stukjes huid, soms met grote stukken vlees.
De gehele dokter werd teruggevonden, alleen van het linkeroor waren twee exemplaren. Later onderzoek wees uit dat deze wel degelijk allebei van de dokter waren.

Het raadsel werd ontsluiert door het vinden van een boekwerk. Dit was een door de dokter, in de vorm van een scheepsjournaal, geschreven verslag van zijn wetenschappelijk onderzoek.
Op de eerste bladzijde stond geschreven:

Ik, William D. Sheldon, start hiermede op 12 november 1947, mijn onderzoek naar de bevindingen van Fernando Clavellina, die in 1874 met zijn coadjutor in Spanje zich van een vinger ontdeed. Volgens een oude Portugese overlevering, bestond er een middel om ledematen bij mensen na amputatie, weer te laten aangroeien. Het recept was deels door Clavellina achterhaald. Hij kan zijn werk niet afmaken omdat hij stierf aan een infectie.
Ik William D. Sheldon zal het recept verfijnen en ik zal op mijn eigen lichaam bewijzen dat het mogelijk is.

De laatste bladen van het journaal waren nauwelijks meer leesbaar. Veel gekrabbel en grote bloedvlekken.
Toen de dokter wist dat hij te ver was gegaan, tekende hij tenslotte een oor en stierf.


©Ghans Dorrebrein
Home