FEESTJE

Laatst was ik op een feestje. Ik heb een afschuwelijke hekel aan feestjes. Ieder­een zit  in een kringetje, te lullen over niks. Normaal ben ik daar met geen stok naar toe te slaan, maar nu was tante Neel 65 jaar geworden en ze had er op gestaan dat wij ook kwamen. Mijn vrouw Vonne, houdt wél van die flauwe kul en na een week slaande ruzie, vervanging van het servies en verschillende kleine meubelstukken, besloot ik mijn huwelijk te redden en gaf toe.
Tante Neel is een burgertrutje en heel streng daar waar het kleding aangaat. Ik had me dus in mijn op éen na beste pak gehesen, nadat ik erachter was gekomen dat mijn trouwpak rond mijn middel nogal was gekrompen. Vonne had nog even het bovenste knoopje van mijn glimmend witte overhemd wat ruimer gezet en omdat we twee uur bezig zijn geweest met het strikken van die verrekte stropdas, kwamen we te laat.
Iedereen was er al. Het was een enorme kring. Spijkerbroeken. Verdomme, het was éen grote zee van spijkerbroeken. Gescheurd, gestone-washed en God weet wat ze er allemaal nog meer mee uitvreten. Ik kreeg een wee gevoel in m'n onder­buik. Waarom had dat kreng van een tante Neel dat niet even kunnen zeggen. Terwijl ze  m'n wangen zat nat te kwijlen, verwenste ik haar al glimlachend, in m'n gedachten naar het Hiernamaals.
Ik zwaaide zo'n beetje naar iedereen, maar tante Neel leidde mij naar het midden van de kring en dwong mij min of meer iedereen een handje te geven. Even stond ik besluiteloos. Ik keek de kring rond en zag dat de kamer tjokvol zat met familie­leden die ik liever geen hand gaf. De helft van het zootje bestond uit  klootzakken. Daarbij zaten er zeker nog een stuk of tien waar ik ruzie mee had en twee die ik wel had kunnen vermoorden, ook al wist ik niet meer waarom. Ik beet me door de zure appel heen en gaf iedereen een hand, onderweg zo af een toe een kloterige opmerking lispelend.
Eindelijk mocht ik zitten en kreeg een glas in m'n hand. Aangezien ik precies tussen twee aartsvijanden in zat, hoefde ik niet te praten en had ik alle tijd om mijn omgeving te bestuderen. Tante Neel en oom Wim hadden zich wel uitgesloofd. De meubels waren vervangen door zeker vijftig tuinstoelen in diverse varianten, waar­schijnlijk geleend uit de hele buurt. In het midden stonden drie tuintafels afgeladen met flessen en glazen. Alle stoelen waren bezet. Het was propvol. Ik had niet gedacht dat er zoveel mensen in dat rottige huisje pasten. Tussen alles door speel­den de kinderen. Nou ja spelen, het was compleet oorlog. Het ergste waren die rotjochies van een jaar of zeven. U kent ze wel, stekeltjeshaar, veel te grote voeten  met sportschoenen, een afschuwelijk grote bek en tering-streekjes uitha­len. Waterpistolen vullen met jenever en dan de hond dronken spuiten. Vechten, maar alleen met meisjes die minstens drie jaar jonger en een kop kleiner zijn, fopspenen van baby's afpakken, die dan terstond als idioten beginnen te blèren. En zeker elke tien minuten een keer huilend bij mama komen omdat die en die, dat en dat zou hebben gedaan.
Verder waren er ongeveer duizend kleuters, wier hobby louter en alleen bestond uit het afpakken en wegsmijten van elkaars speelgoed, om vervolgens elkaar dan een oog uit te steken. Een en ander, onder door merg en been gaand gekrijs wat in een pittige horrorfilm niet zou misstaan.
Dan hadden we ook nog de pubers in al hun variaties. In een hoekje op de grond zat het groepje van meisjes van vijftien, verveeld naar hun Iphone te kijken. In een andere hoek zat een vadsig joch. Het was Roelof. Ik had hem zeker in geen vijf jaar gezien. Hij was behoorlijk gegroeid, voornamelijk in de breedte. Voorzien van Ipod en Game Boy, zag ik dat zijn lichaam zich behoorlijk aan het aan­passen was aan zijn levensstijl. Vierkante oogjes en net zulke vergroeide vingers als ome Kees die al een jaar of vijf reuma had.

Ik bekeek de kring en overwoog om ergens over mee te gaan praten. De praatgroepjes waren reeds gevormd, voornamelijk samengesteld uit mensen die niet dicht bij elkaar zaten, zodat het een geschreeuw van jewelste was. Alle onder­werpen waren gaande, ik had het maar voor het uitkiezen. Aangezien ik geen zin had in de privé problemen van John de Wolf of de blessures van Gullit en omdat mijn politieke mening in dit gezelschap wel erg schril afstak, besloot ik mee te gaan praten met het clubje 'welke-tweedehands-auto-is-het-beste'. Ik waande me veilig met dit onderwerp, maar had spijt toen ik in de gaten kreeg dat neef Karel zich onder de sprekers bevond. Neef Karel is twintig en stronteigenwijs. Hij weet altijd nèt even meer over je eigen auto te vertellen dan jijzelf en hij zal geen moment voorbij laten gaan om je dat op de meest weerzinwekkende manier en zo publie­kelijk mogelijk in te wrijven. Met hem in discussie gaan over auto's is je hartinfarct tien jaar vervroegen. Ik liet het erbij en luisterde even naar een groepje vrouwen. Het onderwerp hier was de ziekte van nicht Lyda.
Lyda lag in het ziekenhuis voor een nog nooit eerder voorgekomen darmafwijking. Ongeveer de helft van haar darmen was al in verregaande staat van ontbinding. Ze was compleet volgehangen met stoma's en infuzen en tante Neel kon dat zo le­vensecht vertellen. Het leek wel of je zo door die darmen wandelde. Ik deelde tante Neel bij de horrorkleuters in en schonk mezelf nog een drankje in.

Een tennisbal die op vier centimeter na langs m'n neus suisde, bleek aan een elastiekje te zitten en nam op de terugweg mijn bril mee. Teringkoters.
Ik had de dader gelokaliseerd en zocht naar schuldig kijkende ouders. Die zijn er dus niet meer tegenwoordig. Ik moest het bijgevolg zelf doen en alleen omdat ik geen pistool bij de hand had, kwam hij er af met een behoorlijke ram voor z'n kop. Krijsend ging hij naar z'n moeder. De wraak smaakte zoet en ik moest plassen.
Toen ik terug kwam kreeg ik ome Willem in de gaten. Ome Willem had 'm om. Waarschijnlijk was hij al vanaf 's middags bezig om in een moordend tempo zoveel mogelijk alcohol uit een andermans lijf te houden. Maar hij was wel leuk. Alleen om even op te houden voor een slokje was hij onophoudelijk aan het moppen tappen. Niemand luisterde, maar dat deerde hem niet. Hij kende vier moppen, die hij in willekeurige volgorde telkens weer uitbundig vertelde, waarna hij bulderend van het lachen op z'n dijen sloeg.
Het was elf uur toen ome Cor met z'n 240 pond op een tuintafel ging staan, luid zingend z'n broek liet zakken en met tuintafel en al in de feestgangers stortte. Tot mijn grote vreugde bevond zich onder de gewonden, mijn vriendje met z'n tennis­bal en nog een stuk of wat van die zevenjarige ettertjes. De ambulance verscheen en het feest was afgelopen. Ik nam nog even snel drie whisky's, want anders durf ik niet te rijden in het donker, viste mijn Vonne uit de menigte en blies de aftocht.

Gelukkig wordt tante Neel maar één keer in d'r leven 65.


©Ghans Dorrebrein

Home