© Ghans Dorrebrein
EEN LEUKE DAG

Ik zat in de tram. Amsterdam flitste aan mij voorbij. Verveeld keek ik er naar, ik had het al zo vaak gezien. Gillend ging de tram door de bocht. Passagiers werden tegen het raam of hun medepassagiers gedrukt. Anderen hadden de grootste moeite om niet van hun bankje in het middenpad te belanden. Gierend kwam de tram tot stilstand. Ik keek op van mijn gemijmer. Dit was niet een normale halte. Alle deuren gingen tegelijk open. Door elke deur kwamen twee mannen in uniform binnen. Kaartjescontrole!

Vijftig passagiers kregen een angstige blik in hun ogen, twee pakten rustig hun kaartje en ik deed alsof ik sliep. De tram zette zich in beweging en de controleurs sloegen toe. Door mijn oogharen bekeek ik het tafereel.
Een skinhead begon met z'n mes een hakenkruis in het raam te krassen. Hij zag er zo betrouwbaar uit dat hij niet werd gecontroleerd. Een heel klein controleurtje met een veel te grote pet en omgeslagen broekspijpen stortte zich met een afschu­welijk grote bek op een junk. Met z'n grote broer achter zich kende hij geen enkele angst. De junk keek wezenloos voor zich uit en vertoonde geen spoor van leven. Het opdondertje begon nog harder te schreeuwen. Iedereen keek nu naar hem. Een travestiet met veel te veel haar op z'n benen, zag z'n kans schoon en trok aan de noodrem. Deze werkte perfect, ook bij zestig kilometer per uur, dat kan ik u verzekeren. De blokken vielen op de rails en we schoven allen een bank naar voren. De skinhead had geen bank voor zich en kwam een klein beetje ongelukkig tegen het bestuurdershokje terecht. Het puntje van het mes stak nog net uit z'n rug.
Terwijl de travestiet z'n vingers stond open te snijden aan het glaasje van de noodbediening van de deuren, werd de junk door vier controleurs bewerkt met rubberen knuppels. De verwarring was compleet. Overal kreunende mensen over de bankjes en op de grond. Een jochie van elf, op een paardenstaart na, compleet kaalgeschoren, was zo vriendelijk alle tasjes en portefeuilles te verzamelen. Ik voelde z'n hand in m'n binnenzak en brak hem twee vingers. Het rotjoch gaf een schreeuw en op hetzelfde moment voelde ik iets koels langs m'n hals strijken. Tering, z'n mes was vlijmscherp. Bloed spoot alle kanten op. Met één hand in m'n hals zette ik de achtervolging in. Het joch liep de travestiet omver en trapte de deuren open. Blindelings sprong ik hem achterna. Als je verwacht op de stoep te landen is een kinderwagen merkwaardig, maar niet onaangenaam. De vent die er achter had gelopen, dacht daar iets anders over. Deze gorilla pakte me bij m'n jas en m'n voeten komen los van de vloer. Hij schudde me helemaal door elkaar. Ik sloeg hem een voortand uit en z'n greep verslapte. Schoenen met stalen neuzen zijn fantastisch. Het staal belandde met kracht op de meest tere plek op een mannen­lichaam en hij liet me los. Zonder te kijken rende ik de straat over, met in mijn kielzog de hijgende gorilla. Ondanks mijn atletische figuur en de gemakkelijke voorsprong op de eerste honderd meter, hield ik het tempo er voor de zekerheid nog een minuut of tien in.    
Toen ik stilstond en juist de eerste lucht in tien minuten wilde inademen, begon­nen een paar mensen mij in het Duits de weg te vragen. Dat was net even teveel. Nadat ik hen had bewerkt met m'n stalen neuzen, ondernam ik opnieuw een poging om mijn ademhaling te herstellen. Ik werd duizelig. Het bloedverlies begon me parten te spelen. Ik rukte een voorbijgangster haar blouse van het lijf en verbond er mijn hals mee. Ik liep een slijterij binnen en pakte twee flessen rum. Eén gebruikte ik om de winkelier op z'n kop te slaan en de andere om mijn bloedverlies te compenseren. Daar knapt een mens van op. Monter ging ik op zoek naar een tramhalte.

De blinde, kreupele bedelaar, van wie ik wat geld wilde lenen uit z'n omgekeerde hoed, bleek de 100 meter net ietsje harder te lopen dan ik. En zo liep ik die dag dan ook nog een blauw oog op.   

Een Duitse toerist had z'n Mercedes dubbel geparkeerd. Dit kon wel even, want hij hoefde alleen maar een pakje sigaretten te halen. Hij had de motor laten draaien. Dit kon dus niet.
Dankbaar reed ik de IJ-tunnel in. Ik maakte een schitterende tocht. Achter het Centraal Station pikte ik een snolletje op, die meteen in gebrekkig Duits hele verhalen ging ophangen. Ik snapte er geen jota van en het interesseerde me ook geen bal.
Ik reed naar huis. Voor het stoplicht stond ik stil. Naast me stopte een jongen met een snorfiets. U kent ze wel die brom­mertjes waar je geen helm voor nodig hebt omdat ze hooguit tachtig kunnen. Er flitste iets van herkenning door me heen. Ik kon er niet zo gauw opkomen.
Na een minuut had het snorfietsjong er genoeg van en reed door. Op dat moment zag ik dat hij twee vingers in verband had en wist ik 't. Het was die portefeuille­hufter. Ik gaf vol gas.

En als ik zeg vol gas, dan kan ik u verzekeren dat dit redelijk snel is met een Mercedes 500 sel. Ondanks dat moest ik er toch behoorlijk aan trekken, om dat rotjong niet kwijt te raken. Ik nam een bocht met 120, ging met m'n linkerwielen over de stoep, en schepte een kleuter op een driewieler.
Naast me begon iemand hysterisch te bléren. Ik stompte haar met m'n elleboog een hoektand uit, waardoor ze betrekkelijk kalm werd. In de verte kreeg ik de snorfiets in het oog. Ik had mijn plan getrokken. Ik haalde hem in, reed nog ongeveer een halve kilometer verder en parkeerde de auto dubbel. Ik ging er vanuit dat deze knul, net als de hele brom- en snorfietsende jeugd geestelijk gestoord was. Hierin werd ik niet teleurge­steld. Hij scheurde op topsnelheid op nog geen vijftig centimeter afstand langs de auto. Op het juiste moment deed ik het portier open.
Hij reed hem er finaal af.
Ik gaf m'n vriendin een slaapmiddel op haar neus, stapte uit de auto en trok haar op de bestuurdersplaats. Niemand lette op ons. Dit was volmaakt. Ik voegde me bij de omstanders, die inmiddels het meisje probeerden te lynchen.

“En, jongen...?”, vroeg mijn moeder toen ik thuis kwam.
“Niets bijzonders hoor, maar al met al geen saaie dag”.
Home