Herman Finkers ligt op straat. Zojuist aangereden en overreden door een bus, herkent zijn eigen moeder hem niet meer. Het grappige was dat hij zichzelf ook niet meer herkende. Ik leende een make-up spiegeltje van één van de gillende omstandige dames (dat zijn dus omstanders, dat u niet wat anders denkt) en hield het voor de ogen van Herman. Deze waren wat moeilijk te vinden, maar uiteindelijk had ik een oog gevonden en kon Herman zijn eigen beeld zien.
In plaats van “waar ben ik” riep hij “wie ben ik”. Het zag er niet uit vond hij. Ik vond het nogal meevallen. Niet het ongeluk, maar hoe Herman er uit zag. Ik bemerkte dat ik het toch een zekere verbetering vond. Ik ben me er een, kon hij nog net uitbrengen. Daarna viel het stil. Wel zo aangenaam. De ambulance kwam maar niet. Wel een aantal politieagenten die ook EHBO habben gehad en hier en daar een pleister plakten. Ze hadden op EHBO-cursus niet geleerd hoe je een arm opnieuw aanzet en probeerden dat met Leukoplast. Een hond kwam langs en tilde zijn poot op bij Herman. Nu is Herman wel wat gewent en mensen zeiken wel meer over hem heen, maar dit vond ik toch te gortig. En ik wilde ook niet dat die hond later nare dromen kreeg vanwege het aangezicht, dus ik stuurde hem weg. Maar Herman kon niet lopen dus toen heb ik de hond maar weggestuurd.

Herman was net terechtgekomen voor de deur van de voorzitter van de hulpverleningsafdeling van de plaatselijke voetbalclub. Dat was zijn geluk. Want die man kon zijn hart ophalen. Hij was nog niet helemaal nuchter, maar dat was Herman ook niet. De voorzitter van de hulpverleningsafdeling - we noemen hem Bas, omdat hij op een Bas lijkt - keek als altijd heel gewichtig en beschouwde de restanten van Herman, met één hand onder zijn kin en zijn andere hand onder zijn elleboog. Hij hield niet van vieze handen dus gaf hij opdracht om Herman op zijn zij te leggen. Dat is beter voor zijn rug vond Bas. Maar niet voor zijn gebroken nek, piepte een stemmetje uit de menigte. Bas keek rond en toen naar beneden. Daar stond een Piggelmee van 1 meter 40 met hele dunne beentjes en een vlasbaardje, te mekkeren. Bas deed per ongeluk een flinke stap naar voren en Piggelmee kwam 15 meter verder terecht.
Het begon  te regenen en er liep een straaltje verdund bloed de goot en de put in. De omstanders verdubbelden.
De inzet natuurlijk: of hij het zou halen.
 
Piggelmee stond op, precies op het moment dat de ambulance met 120 km de hoek om kwam. Piggelmee sprong opzij, de ambulance week uit, ramde met de zijkant een gevel van een juwelierswinkel, kwam terug op de weg, reed een hond plat die net was weggestuurd en reed met een vaartje van zo'n 80 km een dame met haar rollator de gracht in. Het alarm van de juwelierswinkel ging af en de politieagenten lieten alles vallen - Herman brak daarbij zijn laatste botje - en gingen als dolle stieren op het alarm af. Blind van gretigheid om een inbreker te vangen stoven ze naar binnen. Dat was een geluk bij een ongeluk want er waren geen politiemensen bij Herman, toen de ambulance met een uitrijvaartje van nog pakweg 40 km per uur op het ongeluk afkwam. Hij had nog tien meter om te remmen en dat was niet genoeg, zodat hij dwars over Herman heen reed. Pas aan het einde van de straat kwam de ambulance tot stilstand tegen een lantaarnpaal
Het laatste wat Herman kon uitbrengen was: Ik ben me er twee.... En zij leefden nog lang en gelukkig.


©Ghans Dorrebrein

Home