Cruise

Ik kijk om mij heen. Wat een boot zeg!
Ik had nog nooit zo’n grote mooie boot gezien. Van dichtbij dan.
Natuurlijk had ik ze wel vaak op de televisie gezien en in het echt wel eens voorbij zien varen. Maar dan in de verte. Net als in de rest van mijn leven, altijd gingen de mooie dingen in de verte aan mij voorbij. Behalve dan misschien mijn vier kinderen, drie meisjes en een jongen. Dat was wel wat je geluk kunt noemen. In ieder geval in het begin.
Ik loop naar de andere kant van de boot. Alles is mooi en luxe. Een marmeren zwembad, een gouden bar en de meest exotische en ingewikkelde drankjes. Geweldig zeg. En op die boot zit ik nu!
Het was toch al wel zeker 30 jaar geleden dat ik voor het laatst op vakantie was geweest. Toen was Richard er nog. Samen met allebei een kind achterop fietsten we naar Bakkum en daar hadden we één of ander fladderig tenthuisje gehuurd. Dat bestond uit hout en tentzeil. s’ Morgens lekker op het strand de koters in een kuil met water. Wat was dat toch leuk. Later kregen we nog de tweelingen, maar toen lukte het niet meer om op vakantie te gaan.

Wat een grote tafel zeg. Allemaal vruchten. Ik kijk om mij heen. Zou ik daar ook van mogen? Een stel dikke Amerikanen staan een paar flinke borden vol te scheppen en maakten de vruchten onzichtbaar met een lading slagroom.
Verderop een Indonesisch typetje, meisje van een jaar of twintig, maar misschien ook wel veertien of veertig. Erg moeilijk in te schatten bij die lui. Ze loopt met een vork langs de tafel een prikt zo hier en daar een vruchtje. De ober, maar dat heet vast niet zo op zo’n mooie witte boot, laat haar beleefd maar beslist weten dat dat niet hygiënisch was.

De komst van de tweeling was leuk maar tegelijkertijd werd Richard compleet zenuwlijder van al die kinderen. Hij wilde eigenlijk al geen kinderen meer, en twee al zeker niet.
Na een paar maanden liep hij te shaken door het huis. Terwijl hij er betrekkelijk weinig mee te doen had. Ik waste de luiers, gaf alles te eten en deed tussendoor ook nog even het huishouden. Hij hoefde alleen maar naar zijn werk te gaan. En dat deed hij ook wel, maar zag er tegenop naar huis te komen. Hij ging liever op een bankje in het park zitten de krant lezen, om dan vlak voor etenstijd binnen te stappen.

Ik heb ook een bordje halfvol geschept en kijk een beetje schichtig om mij heen, of ik niet iets fout doe. Of er niet een of andere witte ober mij terecht gaat wijzen. Het valt mee. Ik zoek een tafeltje en ga zitten. Lekker onder een parasol, geklots van het water om me heen. Dat is nog eens leuk. De ananas is lekker, maar die andere dingen ken ik niet. Allerlei tropische vruchten waarvan ik de naam niet weet, en die ik nog nooit gezien, laat staan geproefd had.
Op het strand in Bakkum aten we altijd appels. En komkommers tegen de dorst.

Verderop zit een ouder echtpaar. Gek om dat en ouder echtpaar te noemen. Waarschijnlijk zijn ze nog jonger dan ik. Hij is helemaal in het wit gekleed, met zelfs witte schoenen. Boordje dichtgeknoopt en een witte vlinderdas. Vast een directeur denk ik. Zijn vrouw heeft een bloemetjesjurk aan. Zeker van Zeeman. Gezien de kwaliteit. Toch wel passend, dacht ik, bij zo’n boot. Inwendig moet ik om mezelf lachen. Ze heeft haar super geblondeerd haar vreselijk opgestoken en torent boven haar man uit. Geen gezicht. Ongelakte nagels valt me op. Helaas pakt dat niet zo goed uit bij haar verkalkte teennagels die ze in veel te kleine, typisch dure schoentjes heeft gepropt. Nou ja schoentjes, alleen een paar dunne bandjes die diepe groeven in haar vette voeten maakten. Een tasje van Gucci. Het zegt mij niets maar het staat er op. Meneer met zijn witte pak had beter geen frambozensaus kunnen nemen op zijn vruchtenbordje en zijn vrouw maakt dat duidelijk door hem opvallend terecht te wijzen. Iedereen zit er naar te kijken en hij wordt net zo rood als zijn saus.

Ik kijk weg en mijn gedachten gaan weer naar de kinderen. Als ze me toch eens zo zouden zien, met al die luxe. Maar ze hadden wel iets gezien. Toen ze mij wegbrachten met z’n allen en met de kleinkinderen, mochten ze even aan boord kijken. Ze hadden het allemaal gauw gezien en stonden al snel weer ongeduldig op de kade te zwaaien. Met één hand, want met die andere hand keken ze op hun horloge. Ach, dat snap ik ook wel. Ze hebben het druk en zo.
Al lang lief dat ze mij deze reis hadden aangeboden voor mijn zeventigste verjaardag. Ik weet ook wel dat ze geen zin hadden om het geplande familiefeest te organiseren. Nu lapten ze allemaal een paar honderd euro en waren ze van mij af. Ik ben al lang gewend aan de teleurstellingen die de kinderen bij mij oproepen, maar het valt soms toch nog wel zwaar. De touwen waren nog niet los of de eersten stapten al weer in de auto.
Ik keek en zie dat de frambozenmeneer is verdwenen. Gedecideerd kijkt de bloemetjesjurk om zich heen.
Ik vraag mij af of ik wel gepast gekleed ben. Mijn lange zwarte rok is opgedrongen door de kinderen en mijn witte blouse met frontrouche vind ik verschrikkelijk. Die rare kantjes tussen mijn borsten, dat is helemaal niets. En dan die zwarte schoenen. Ik ben toch geen oud wijf. Maar ja, het moest van de kinderen, vooral van de tweeling. En daar kan ik nu eenmaal niet meer tegenop.
Ik val wel op, dacht ik, met deze kleren. Ik laat mijn bordje staan en wandel wat over het dek. Aan de kade kan ik zien dat de boot aan het varen is, maar dat merkte je verder niet. Hij slingert niet zoals de boten op televisie.
Ik kom langs het zwembad en kijk mijn ogen uit. Een vent met worstvingers en een enorme flubberbuik, staat met zijn handen in zijn zij, met alleen een zwembroekje aan bij de rand van het zwembad te kijken. Brutaal bekijkt hij de mooie jonge meisjes en probeert vooral zijn gouden horloge, ketting en armbanden goed uit te laten komen. Niemand ziet het. Iedereen loert naar zijn buik, mijn god.
Richard heeft nooit zo’n buik gehad. Hij was altijd slank.

Toen we weer langs de kade kwamen, stond er een juichende menigte kinderen ons op te wachten. Dat is nog eens aardig. Ik wist wel dat ze mij op zouden halen, maar niet dat ze met z’n allen kwamen. Dat is dan ook niet zo. Sterker nog, geen van mijn kinderen is er. Ik zit een tijdje te wachten op zo’n zwarte knobbel voor de touwen en pakmijn telefoon. “Hoi mam, leuk dat je weer terug bent, hoe was het? En was het het geld waard? Nee, wij kunnen je niet halen, we zitten op een achtdaagse reis in Turkije. Maar Joop zou jou toch halen? Dat hadden we afgesproken.”
Joop weet ook van niets en dacht dat Karin zou gaan. Bovendien kan hij nu niet weg van zijn werk.
“Bel Karin zelf even mam”.
Maar Karin neemt niet op.
Ik loop langzaam naar de terminal om een taxi te laten bellen. De terminal is niet zo ver weg, maar het duurt lang genoeg om mijn stemming twee keer te laten wisselen. Eerst denk ik: wat een kutkoters mij zo te laten staan; maar even later vind ik het toch wel leuk dat ik deze reis mocht maken. Nog weer even later beland ik weer in de mineur. Als ik terug denk aan die twintig jaar ploeteren. En wat krijg ik er voor terug?

Eén geruststelling is er: ze hebben zelf allemaal kinderen en zullen hun verdiende loon wel krijgen.


©Ghans Dorrebrein


Home