Huwelijkspleister

We hadden net onze wekelijkse echtelijke ruzie gehad en ik was kwaad de straat op gelopen. De ene week is de echtelijk ruzie meer ruzie dan de andere week. Het enige dat elke week hetzelfde is, is dat het haar schuld is.
Ik was zo narrig dat ik rottigheid wilde uithalen. Er kwamen net twee politieagenten aan. Nou ja, een Hindoestaan van 1 meter 55 en een meisje van 55 jaar, net zo lang maar 23 keer zo dik. Allemaal in het kader van die pet past ons allemaal.
Ik ben een held dat weet u, en het was heel verleidelijk maar ik durfde het toch niet aan, een politieagent een mep te verkopen. Niet dat ik lichamelijk iets te vrezen had van die onderkruipsels, maar van sommige beroepen moet je afblijven. Dat geeft teveel nasleep. Ik keek om mij heen en zocht een verkeersregelaar of een loslopende buschauffeur of zoiets. Een watje had ik in ieder geval nodig. En zoals altijd, verkeersregelaars zijn er alleen maar als je ze niet nodig hebt. Als je bij een evenement bent en je ziet een parkeerplaats, mag je daar niet in. Ze drijven je met z’n allen naar een plekje zo ver mogelijk weg. Terwijl ik toch al zo slecht ter been ben. Ik vindt het niet gek dat er af een toe een aangereden wordt. Maar nu dus geen verkeersregelaar in zicht.
Gelukkig zag ik net een straatvuilopruimer aankomen. Een mannetje met een vuilnisbakje op wielen raapte met een of ander stokje alle papiertjes van de straat en uit de bosjes. Vroeger hadden we nog de oude prikker. Veel leuker en echt een kunst, maar nu een grijpertje op een stokje. Ik schatte nog even in hoe groot hij was, keek eens naar zijn spierballen, maar die waren niet te vinden en dus sloeg ik toe. Een paar papieren zakdoekjes vond ik in mijn zak en gooide die naast de prullenbak. Vlak bij onze opruimer. Hij keek niet op of om. De sukkel. Hij zag het niet eens denk ik. Een plastic boterhamzakje met een boterham vond ik nog, kauwgompapiertjes en nog wat onduidelijks vond ik in mijn jaszak en gooide het voor z’n voeten. Zelfs een pas drie keer gebruikt condoom offerde ik op. Ik keek of zijn stok misschien rood/wit was, want hij zag het gewoon niet. Ongelooflijk. Onverstoorbaar ging het mannetje verder met zijn werk en pakt gewoon mijn zakdoekjes op. Perplex maar ook uiterst geïrriteerd bekeek ik de idioot. Ik zal hem toch kwaad krijgen. Ik liep naar het afvalbakje bij het bankje, rukte het van het paaltje en keerde het voor zijn voeten om. Blikjes rolde alle kanten op mayonaise vloog over de grond met sigarettenpeuken en van alles en nog wat. Ik moest en zou die vent kwaad krijgen. Verwachtingsvol keek ik naar de man maar die keek me niet aan en staarde naar de rotzooi op straat. Stampvoetend draaide ik mij om, op zoek naar nog meer en nog viezere troep.
En toen had ik hem.
Ik voelde een zwiepende en stekende pijn in mijn nek. En ja hoor ik had een lel gekregen met die stok. Je denkt een stukje plastic, en dat is dan ook zo. Alleen zat er een metalen pijp in. En een stevige ook.

Ik wankelde en viel op de grond. Ik greep mijn nek terwijl het mannetje met zijn werkschoenen mij tegen mijn ballen stond te trappen. Ik heb het nooit geweten en begrijp nu nog steeds niet waarom een vuilnisman stalen neuzen in zijn werkschoenen moet hebben, maar ik kan u verzekeren dat dat aankomt..
Ik had mijn zin, maar was niet blij. Dit was niet precies de bedoeling. Ik wilde hem kwaad maken om me daarna uit te kunnen leven op het manneke.
Toen het kereltje na een paar minuten klaar was met het bewerken van mijn ballen, draaide hij zich om en ging rustig alles opruimen wat ik op straat had gegooid. kreunend bleef ik liggen, in de hoop dat omstanders dat stuk ellende zouden lynchen. Maar er waren geen omstanders. Iedereen liep door. Niemand keek op of om.
Voorzichtig stond ik op. Ik twijfelde. Zou ik alsnog wraak nemen? Ineens leek het mannetje veel groter. En sterker. Vast het Ana-effect.
Ik twijfelde nog steeds, maar toen ik de tennisballen tussen mijn benen voelde, nam ik het besluit en liep weg. “Wat een held”  hoorde ik een Marokkaantje van een jaar of acht mij naroepen.
Normaal had ik dat joch direct de gracht ingeschopt, maar omdat ik niet zo hard kon wegrennen voor zijn, waarschijnlijk 32 neefjes, liet ik het er maar even bij.

Ik was er al met al niet van opgeknapt en had al helemaal niet mijn gram gehaald.
Cindy, dat ding waar ik mee getrouwd ben, had met spelden onder mijn nagels geprikt tot het bloed er onder uit kwam. Al mijn nagels!
Figuurlijk natuurlijk, want dat durft ze niet echt te doen. Daar ben ik veel te groot en sterk voor…

Ik zag een rondvaartboot aankomen, met open dakluiken.
Vanaf de brug piste ik er precies in. Hoop geschreeuw van boze mensen die mij wel konden dojen en je zou denken dat ik mijn woede nu wel kwijt was. Niets was minder waar. Vooral niet toen de rondvaartboot ineens afmeerde en de meute op mij los liet.
Ik ben supersnel altijd en weet meestal op tijd weg te komen. Maar nu viel dat tegen. De tennisballen in mijn broek lieten dat niet toe.

De klappen vielen mee. Scheldende Duitsers voorop, de Japanners een beetje bedremmeld achteraan en daartussen allemaal talen die ik niet kon verstaan, maar die wel konden meppen.
De tennisballen ten spijt was ik vijf minuten later een kilometer weg.

Ik was nu wel aardig bedaard. Ik zette een kinderwagen met baby van een winkelende moeder 100 meter verderop, schopte nog een kleuter van z’n driewieler en toen ging het wel weer.
Even nog, toen ik langs de apotheek kwam, wilde ik cyaankali halen voor in de koffie van Cindy, maar ik deed het niet. Ik kwam langs de bloemist en kocht een bosje rozen. Niet teveel en niet te duur anders beken ik schuld. Terwijl het haar schuld was.
De stad doet me goed. Ik zou nooit de wekelijkse ruzies met Cindy overleven als ik me niet kon afreageren.
Amsterdam is de pleister voor mijn huwelijk.


©Ghans Dorrebrein


Home