De binnenstebuiten donut
of
Soms wil je iets niet weten

Soms wil je iets niet weten, maar kom je het toch te weten, tegen wil en dank.
Ik zat op een verjaardag en mijn veel te slimme buurjongetje van 13, met pukkels en al, had weer eens een boekje gelezen en vond dat hij zijn opgedane kennis moest delen met de gasten.
Hij had echt niet de swung om op een fatsoenlijke manier het woord te nemen, ik bedoel op het juiste moment, als er een korte stilte valt of een ander logisch moment, met een bruggetje naar het onderwerp. Welnee, hij begon gewoon te praten, recht voor zich uit en tegen niemand in het speciaal, om zich heen kijkend of hij iemand kon vangen in zijn blik, die dan de gesprekspartner was. Niemand keek. De pukkel praatte door. Ik keek doelbewust de andere kant uit, maar zat daarbij dusdanig naar mijn bloedmooie nichtje van twintig te staren, dat het onbeleefd werd. Dat vond mijn vrouw ook dus kreeg ik een schop. Niet zo hard maar overduidelijk wat de bedoeling was. Verschrikt keek ik op en was onmiddellijk gevangen door het wijsneusje.
Die was net op het hoogtepunt gekomen van zijn verhaal en om onze gespreksband nog wat te verstevigen vroeg hij: “snap je?” Ik had het allemaal wel gehoord terwijl ik niet keek en snapte er niets van, maar knikte van ja. Dat was niet genoeg voor het rotjoch en hij vroeg op een leerderig toontje, wat zei ik dan? Ik wilde hem graag van zijn pukkels afhelpen. Een voor een met een scherp mes, maar ik hield mij in. Netjes opgevoed als ik ben, zei ik, vertel maar verder kind. Ik wist dat ik hem raakte met dat kind, en dat was de bedoeling ook. Hij kreeg rode vlekken in zijn nek, tussen de pukkels door, maar ging verder: Dus binnen in je lichaam is het toch gewoon buiten. Ik knipperde met mijn ogen. Van boven stop je er eten in en vanonderen komt het er, iets anders van vorm weer uit. Dat was niet schokkend. Als je vijftig bent dan weet je intussen wel hoe dat werkt. Het stelsel, ging het kreng verder, van maag slokdarm en darm, is samen je spijsvertering. Vormt samen… zei ik om hem te verbeteren, maar vooral om ook wat te zeggen te hebben. De wandelende encyclopedie keek me geïrriteerd aan vanachter zijn schildpadmontuur. Daarbinnen is het buiten. Hij had inmiddels een tweede luisteraar gevangen en sprong om deze niet verliezen nu met zijn ogen van links naar rechts, wat samen met die pukkels, rode vlekken en bril iets weg had van een ouderwetse koekoeksklok met een uil. U kent ze wel. En anders kunt u het zich wel voorstellen. Dus er loopt een gat door je lichaam vervolgde hij met te snelle praat, en daarbinnen is het eigenlijk buitenlucht. Ik tikte eens op mijn voorhoofd maar het monstertje besteedde er geen aandacht aan.
Ik zal het uitleggen zei hij, mij daarmee ongelooflijk irriterend. Neem in je gedachten een donut en leg die in je gedachten op een bord, met het gaatje in het midden. Dat kan niet anders oen, riep zijn twee jaar oudere broertje, die lang niet zo wijs was. Hij had in ieder geval geen pukkels en bril. Bij een donut zit het gaatje altijd in het midden. De pukkel trok zich er niets van aan en zei: Ga er nu virtueel met je hand naar toe. Virtueel, hij weet vast niet wat hij zelf bedoelt, de kwal. Maar dat wist hij wel. Trek virtueel de donut uit naar boven. Maak hem langer en langer en hou vol. In je gedachten. Ik stelde het me voor en snapte het. Kun je niet beter een tuinslang nemen als voorbeeld? Vroeg ik om te treiteren. Meteen kon ik mijn tong wel afbijten, want deze gaf ik wel heel erg mooi aan. Hij nam hem volledig. Met luide stem riep hij tot de omstanders dat ik het verschil niet wist tussen een tuinslang en een donut. Niemand vond het leuk maar het joch lachte zich dood, met het geluid van een piepende kerkdeur. Iedereen keek naar mij. Dacht ik. Maar  dat was niet zo, ze keken naar de pukkel die inmiddels nu egaal rood was. Het stond hem wel. Nahikkend ging hij verder, met nu nog meer luisteraars: die donut is in je gedachten nu zo ongeveer zeven meter. Ik wilde een grapje maken over de lengte van mijn armen, maar hield me in. Gelukkig maar anders had dat snotjong natuurlijk gezegd dat ik mijn armen ook virtueel moest verlengen. Opletten dus.  
Mooi rokje heb je aan, riep ik naar mijn bloedmooie nichtje, die recht tegenover mij zat en haar benen nu nog stijver om elkaar heen vlocht zodat haar velletje door haar panty heen wit werd. Dat stomme gestaar van die vijftigers dacht ze waarschijnlijk, maar zei niets en keek de andere kant op. Het hielp ook niets want pukkelkopje liet mij niet los. Hij stootte me zelfs aan en zei: zal ik het nog eens uitleggen? En dan op een eenvoudiger manier? Iedereen keek nu naar mij. Wat zou hij zeggen, dachten ze. Ik  keek om me heen of ik een bijl zag of desnoods een stomp voorwerp om het achterhoofd van die brilpukkel te bewerken.
Kijk, vervolgde hij,  waar het nu om gaat is dat er een heel stuk buitenlucht in je lichaam zit. Heeft niets met je lichaam te maken en toch ook weer alles. Ik dacht dat gaat de goede kant op, babbel maar lustig door en maak je jezelf maar onsterfelijk belachelijk. Maar dat kunnen jongetjes van 13 niet…. ze kunnen in elk geval niet belachelijker worden dan ze al zijn.
Nou dat weten we dan zei ik stoer. En wat dan nog?
Binnen is dus eigenlijk buiten, zei hij bijdehand, terwijl hij triomfantelijk rond keek en de smaak van alle aandacht proefde.
Ja, zei ik, niets beter wetend.
Wat hier uit volgt, zei hij langzaam en veelbetekenend en dat klinkt echt veel te wijs voor zo’n rotjoch, “ dus “  was goed genoeg geweest.
Wat hier uit volgt, is dat die miljarden bacteriën in je darmen, dus niet in je lichaam zitten. Ze worden er alleen door omgeven. Door je lichaam dan.
En een lintworm is dus gewoon aan het buiten spelen, zei ik geestig. Ik vond het nogal snel en goed gevonden van mezelf, maar niemand lachte.
Dus (en nu deed hij het dus wel goed) heb ik net als alle hoogbegaafde kinderen, nu een eigen theorie. Die van de binnenstebuitengekeerde donut. Ik moest kotsen, maar wist niet waar. Hoogbegaafd, goddomme, het lulletje.
Ik noem dit het theorama van JanMartijn…. en hij wachtte op applaus.
Ik zocht weer het kotstbakje. JanMartijn. Ik wist niet eens dat hij zo heette! Hoe haalt iemand het in zijn hoofd om zijn kind Martijn te noemen. En dan nog wel een dubbele naam. Ongelooflijk.
Iedereen was vrij stil. Geen applaus, maar wel wat instemmend gemompel en welwillende knikjes naar de hufter.

Ik had intussen wat alcohol op en daar word ik altijd vrolijk van. In het begin dan, als ik nog iets aangeschoten ben. Daarna gaat het, zo ongeveer per glas, snel bergafwaarts met mijn gedrag. Dat weet ik. En dat wil ik niet. Maar dat gebeurt toch. Voldoende voor u om herkenbaar te zijn? Inmiddels was ik de vrolijkheidfase gepasseerd en riep uitdagend:
En waarom, mijn lieve buurmannetje zouden wij dit willen weten?
Zo, daarmee had ik hem toch wel even weer terug op aarde gezet. Dacht ik.
Omdat, zei hij, zo tergend mogelijk en zoveel mogelijk naar het publiek, het helemaal niet zo gek zou zijn als jij ook eens iets zou weten…
Ik weet niet wat er toen met mij gebeurde, maar ik pakte een honkbalknuppel en perste deze in de donut van het monster met pukkels, tot hij er aan de andere kant van de anus weer uit kwam. Virtueel natuurlijk want ik had veel te veel op, om zelfs nog maar op te staan, laat staan zoiets te doen. Ten slotte was de virtuele handeling voor het moment, en gezien de omstandigheden, tamelijk bevredigend.
Ik dronk nog wat.
En ik dronk nog wat.
En ik werd naar bed gebracht, denk ik.

Uiteindelijk heb ik twee dagen later toch maar die bloempot van mijn balkon laten vallen toen JanMartijn langs kwam.
Hij is nu van zijn pukkels af.


©Ghans Dorrebrein
Home