Willie vindt het mooi geweest.

Het zonnetje schijnt, maar niet te fel.
Echt zo’n eerste voorjaarsdag waar je maanden naar uit kijkt.
Zonovergoten weerkaatsen de goudkleurige beelden op de kerk het zonlicht in je ogen.
En maar hopen dat alle dames tegelijk vinden dat het rokjesdag is!
De kleine bladeren zijn prachtig nieuw groen.
Vroege vogels fluiten vrolijk boven het vrachtverkeer uit.
Het park ziet er geweldig uit.
Willie vindt het mooi geweest.
Tijd om dood te gaan.

Na 54 jaar op deze planeet te hebben rondgebanjerd, is het tijd, vindt hij.
Nu nog een mooi plekje zoeken.
Hij kijkt het park rond en ziet een mooie oude eik.
Daar onder liggen, dat lijkt hem wel wat.
Verderop spelen een paar kinderen met vrolijk gelach.
Ze zijn bezig een eend de hals af te snijden, de poten zijn er al af.
Maar een van hen bezeert zich heel erg met het mes.
Krijsend loopt het joch rondjes met zijn bloedende vinger in de lucht.
Willie heeft altijd pleisters in zijn winkelwagentje.
Hij plakt een pleister op de vinger van de jongen.
“En nu voorzichtig verder spelen jongen, hé.”
Willie vindt het mooi geweest.
Hij gaat terug naar de eik en ziet dat het bezaaid lag met honden uitwerpselen.
Dat is niet zo fris, zelfs niet als je dood bent.
Hij gaat weer verder op zoek naar een plekje.
Het park uit de straat over het plein op.
En wie ligt daar?
Zijn moeder.
Op de grond, beroofd van haar tasje en bontjasje.
In een wel heel merkwaardige houding.
Dat gooit roet in het eten van Willie.
Zo kun je nooit dood gaan.
Hij vloekt wat en gaat hulp halen.
In de kroeg roept Willie hard om hulp.
Verderop zit een jongen met een bontjasje op zijn knie achter de fruitautomaat.
Met een wel heel bekende portemonnee.
Wille roept wat harder om hulp.
Niemand reageert en Willie wordt boos.
Een paar kaartende bulldozers zijn het zat en gooien een bierflesje naar zijn hoofd.
Willie is wel wat gewend.
Hij bukt.
De spiegel gaat aan gruzelementen.
Barkeeper kwaad en zijn baas nog meer.
“Buiten ligt iemand gewond te zijn hoor, mijn moeder.”
“Als je niet maakt dat je wegkomt, leg ik je er zo naast.”
Willie ramt met zijn winkelwagentje de deur open en loopt naar buiten.
Dat was tenminste het plan, maar hij komt niet ver.
Hij wordt gehinderd door een manspersoon, die de afgelopen 30 jaar iets te veel had gegeten.
De winkelwagen komt abrupt tot stilstand tegen de rotsformatie.
Willie ligt zowat in zijn wagentje.
De sterren verdwenen naar de zijkant van z’n ogen.
En wie staat daar?
Bill.
Net op het moment dat Bill de winkelwagen op wil vouwen ziet hij Willie.
“Willie, ouwe rukker. Wat loop jij link te doen met die kar, man!”
“Ik heb hulp nodig.”
“Bill, ik wil dood maar mijn moeder ligt daar gewond.”
Langs zijn wijzende vinger ziet Willie een paar gieren bij z’n moeder knielen.
Klein, met capuchon.
“Ik ga een pils pakken.”zegt Bill.
“Nee, nee, help mij even met die lui.”
“En m’n moeder...”
Bill loopt naar de jongens en spreekt hen aan.
Twaalf konden er weg komen. Twee niet.
Bill is 230 kilo, twee meter tien hoog en ongeveer net zo breed.
Eén van de twee heeft de hardste kop, de andere bloedt hevig uit zijn oor.
Messen, bankpasjes en pillen vliegen in de rondte.
Bill mikt de twee, na de behandeling in de fietsenstalling.
Waarbij er één een beetje ongelukkig terecht komt met zijn oog in spaak.
Willie staat bij zijn moeder.
Het is te laat.
Nu moet hij twee plekjes zoeken.

Bill helpt het lijkje in het winkelwagentje te hijsen.
En gaat een bier drinken.
Willie vindt het mooi geweest.
Op het industrieterrein is het rustig.
Hier een daar een zwart Golfje met donkere ramen en draaiende motor.
Een kleine straatrace met brommers.
Die gingen hooguit 110, 120.
Alles normaal dus.
Maar een plekje?
Wel om dood te gaan, maar niet om gevonden te worden.
Willie denkt aan Trees.
Ook een dakloze.
Heel lang geleden vertrokken naar Rotterdam.
Maar ze zou volgens zeggen weer terug zijn in Amsterdam.
Willie loopt naar de vuilstort verderop.
Z’n maten liggen lekker rustig.
Een blikje uitlikken.
Op een stokje te knagen.
“Weten jullie waar Trees uithangt?”
“Achter het Centraal, Willie.” zegt een baard.
“Wat mot je van er?” vraagt een broek vol gaten.
“Ik wil dood, maar dat lukt niet zo erg.”
“Ga hier maar legge.” roept een enorme grijze haardos.
“Komt alles vezelluf goe.” komt er vanuit een grote natte doos.

Na twee uur komt Willie bij het Centraal Station.
Ma is niet zwaar.
Maar wel over de hobbelige keien in een winkelwagentje.
Achter het station is het druk.
Heksen en spoken doen hun best om mannen te lokken.
Willie vraagt een van de heksen naar Trees.
Ze verstaat hem niet.
Hij kreeg een peut.
Opnieuw sterren.
Hij flikkert de heks voor straf van de IJkade af.
En loopt verder.
En wat een toeval. Wie ziet hij daar?
Geen Trees.
Makkie.
Makkie is een oude kameraad uit betere tijden.
Hij staat net met zijn arm door een gebroken ruit de achterportier open te maken.
Willie tikt hem op zijn arm.
“Godverdetyfus.”schreeuwt Makkie.
“Ben je helemaal van godverlaten?”
“Kankerleijer.”
Makkie, ik wil dood.”
“En me moeder is al dood.”
“En nou zoeken we een plekkie.”
“Voor mijn en m’n moe.”
“En ik zoek Trees. Om mij te hellepen.
“Trees,de schat.”zegt Makkie. “Echt een lekker ding,als je van vrouwen houdt.”
“Maar Bill, ze is vorig jaar in het IJ gevallen.”
“Daarna zagen we der niet meer.”
Tranen springen in zijn ogen.
Willie die huilt!
Dat is lang geleden.
Zijn emoties staan op springen.
Hij moet iets kwijt.
Willie schopt Makkie de plomp in, achter de heks aan.
Dat lucht op.
Hij draait zich om.
En wie staat daar?
Teun.
Met z’n oude fiets zonder banden.
Vol met fietstassen met zijn bezit, troep dus.
Ooit is Teun omgebouwd tot vrouw.
Maar dat zie je niet meer.
Ze heeft een lange baard.
Alleen de borsten zijn zoals het hoort bij een zestig jarige.
Slap, plat en tot op de navel.
Ze omhelzen elkaar.
“Hoe gaat het Willie Boy?”
“Goed m’n jong, goed.”
“Waar was je al die tijd?”
“Overal en nergens. Maar het is mooi geweest.”
“Ik wil vandaag sterven.”
Willie dacht aan de vergane goede tijden.
Dat ze samen onder brug sliepen.
Dat ze samen stenen naar de politie gooiden.
Dat ze samen voor altijd vrienden zouden zijn.
“Goed idee Boy, sterven! Doe met je mee.”

Nu moet hij drie plekjes zoeken.

Samen lopen ze de stad weer in.
Achter hen giert de tram, de bocht door.
Het is druk in de stad.
Een Indiaan doet een rondedansje rond een kampvuur op de stoep.
Het begint te regenen.
“Toeval, he Willie?”
“Niks toeval, die lui kunnen dat echt wel.”
Achter een raam doet een bejaarde haar slipje omlaag.
Willie kijkt of hij er nog nooit een had gezien.
“Jammer van die kop.”
“Anders was het wel wat.” zegt Teun.
Het meisje begint heftig te kloppen op het raam.
“Ja, ja, ja, ken ik toch niet betalen.” mompelt Bill.
“Willie, Willie..!” riep ze naar buiten rennend.
“Trees? Ben jij het echt? Je bent toch dood?”
Trees kneep hem eens flink in z’n ballen.
“Hoezo dood?”
“Dat zei Makkie.”
“Die mafketel, nog steeds de hersens van een garnaal.”
Teun staat er een beetje schaapachtig bij te kijken.
“En jij Trees, verdient je geld tegenwoordig ook binnen?” vraagt Bill.
“Ja, promotie hé.”
“Ik wor een beetje te oud om dag en nacht buiten te hangen.”
“Verdien je nog wat?”
“Ja gaat wel. Van me uiterlijk moet ik het tegenwoordig niet hebben.”
“Dan maar rare spelletjes doen.”
“En alle gaten gebruiken. Dat vinden die Turken wel lekker, van achteren.”
“Mogen ze thuis niet.
“Moet alleen zowat alles inleveren aan die hufter.”
“Wie?”
“Robbie, weet je hem nog? Dat schlemielletje.”
“Dat een meter vijftig hoopje niks.”
Willie weet het weer. “Dat opneukertje, nog altijd in de weer met zijn meissies?”
“Dat is em Willie.”
Vanonder kwam geluid.
“Zou je niet eens aan het werk gaan,  bits!”
Een onwaarschijnlijk lage stem kwam uit de dwerg.
“Robbie, zie je niet dat dat Willie is?”
Hij zwaait ongeïnteresseerd met een hand naar Willie.
Met de andere hand graait hij tussen de borsten van Trees.
Hij heeft net geen trapje nodig.
“Laat je wel wat wisselgeld zitten, Robbie.
“Je mot verdomme doorwerken, als dit alles is.”
“Het zijn slechte tijden lieve Robbie.”
“Er is gewoon niet zoveel, tegenwoordig.”
“Laatste waarschuwing Treessie.”
“Morgen het dubbele of je legt weer in de goot.”
Willie wil het opdondertje in zijn maag pompen.
Maar Trees houdt hem tegen.
“Ik hou van dat jong, Willie.”
“Hij doet me nooit wat. Nou, niet echt dan.”
Ze laat een paar lelijke littekens zien.
Dat kwam echt niet van het vallen.
“Laat nou maar Willie.”
“Kom effe mee naar binnen.”
“Zacht prijsje?” vraag Trees uitdagend.
“Ja, misschien is dat wel wat, zo op mijn laatste dag.”
“Je laatste dag?”
“Het is vandaag mijn sterfdag.”
“Zijn de knikkertjes een beetje losgekomen in de bovenkamer?”
“Nee Trees, ik wil gewoon dood.”
“En het is daar vandaag een prachtige dag voor.”
Trees kijkt peinzend de straat in.
Een jongetje van een jaar of vijf gooit steentjes.
Naar fietsers.
Die vinden dat niet leuk.
Eentje klettert tegen een lantaarnpaal.
Niet zo’n gewone gladde maar zo’n ouderwetse Amsterdamse met figuurtjes.
Hij blijft verdacht rustig liggen.
Verderop spelen een paar Italiaantjes doktertje.
Met een aangereden kat.
Beest was allang dood, maar de kindertjes zijn nieuwsgierig.
Hoe ziet zo’n beest er toch van binnen uit?
Trees pakt Willies hand.
Samen gaan ze naar binnen.
Het bedbankje ziet er nog smeriger uit dan de baard van Teun.
Ongedierte kruipt over het laken.
Het deert de tortelduifjes niet.
Geroutineerd brengt Trees hem binnen tien minuten naar een hoogtepunt.
Zijn laatste hoogtepunt.
“En jij dan Trees?”
“Ach, weet je, ik hoef ook niet meer zo nodig.”
“Maar je weet hoe dat gaat, je ga gewoon door, he.”
De stank in de kamer was niet te harden.
Een combinatie van rottende sinaasappelschillen en troebel water met met de lucht van een – al heel lang – dode rat.
Er beweegt iets bruinachtigs in de hoek van de kamer.
“Wat is dat?”
“Dat is Tiffy, me hond.”
“Hond? Dat gore plukje zuurkool?”
Tiffy is heel goedaardig, maar dit neemt ze niet.
Met een grom bijt ze in Willies vinger.
“Kutbeest!”
Hij trapt het ding onder de kast.
“Willie!”
“Ja, dan moet dat klotebeest maar niet bijten.”
“Willie!”
“Ja, ik zeg toch....”
“Ik wil ook wel met je mee.” onderbreekt ze hem.
“Waar naar toe?”
“Naar de andere kant.”
“Wat, wat?”
“Dood, slome eikel. Ik wil ook wel sterven.”
“Welkom bij de club.”

Nu moet hij vier plekjes zoeken.

Samen gaan ze naar buiten.
Een vent met de afdruk van een lantaarnpaal in zijn gezicht rent achter een jochie aan.
Zijn vader komt met een honkbal knuppel naar beneden.
Een bejaarde man rent met bibberende benen achter z’n rollator.
Voorop een hond die met zijn riem aan de rollator vastzit.
Daarvoor weer een paar meiden met een vis aan een touwtje, waar de hond net niet bij kan.
Aan de andere kant ligt een kat met al het binnenwerk op straat.
De Italiaantjes kijken belangstellend naar Tiffy.
Er bestaan ook zeer hygiënische zwervers.
Deze maakt zelfs zijn kunstgebit schoon.
De schurftige hond heeft best een schone tong.
Feilloos likt hij de etensresten uit elk hoekje.
Vredig tafereeltje voor een doordeweekse dag.
Maar dan gebeurt het!

Vanuit het karretje een vette scheet.
Moe is nog niets veranderd.
Maar als ze niet dood is?
Dan kan ik haar net zo goed weer naar huis brengen.
Scheelt weer een plekje.
“Dat is normaal Willie.”
“Dooie mensen flatineren altijd nog even.”

Willie vindt het mooi geweest.

“Wat denk je van het kerkhof, Willie?” oppert Trees
“Het kerkhof...”
“Geen plaats om dood te gaan.”
“Wel een plaats om gevonden te worden.” riep Trees.
“En dan zelf graven?”
“Hoeft toch niet.”
“We gaan gewoon legge.”
“De rest gaat vanzelf.”
“Oké, we gaan naar Teun.”
“Watisser met Teun?” vraagt Trees.
“Die wil ook mee, dood.”
“Godallemachtig, die eikel. Kan ook nooit eens iets zelf.”
“Ik heb het hem beloofd.”

Weer twee uur zeulen met die kar.
Een rolstoel probeert over te steken.
Hij kan alleen nog zijn linkerooglid en rechterpink bewegen.
Daarmee bestuurt hij het kamikaze voertuig.
Gewoon oversteken.
Ze remmen toch wel voor een invalide.
Dachtie.
De taxi kan nog net uitwijken.
De vrachtauto net niet.

Overal liggen onderdelen.
Van de rolstoel.
En van de invalide.
De bovenste helft was nog redelijk intact.
Met een bumper om zijn nek gevouwen, ligt hij hevig met z’n oog te knipperen.
Verderop ligt een pink, angstig stil.
Twaalf capuchons komen aangerend.
En vullen hun plastic tassen.

Moe begint een beetje te ruiken.
Willie is wel wat gewend.
Maar zo met het zonnetje erop, gaat het gauw.
Karretje maar trekken in plaats van duwen.
Verleidelijk lonkt de gracht.
Trees ziet het en begrijpt het.
“Doen we niet Willie.”
“Ze gaat netjes met ons mee.”

Doodmoe komen ze aan.
Geen Teun.
In geen velden of wegen te bekennen.
Een Medelander staat te vloeken.
Met een lang mes staat hij stront uit z’n schoenzool te peuteren.
Teun komt van links.
Daar is hij dan.
Hevig zwaaiend komt hij aanhollen.
Van rechts komt een bus.....
Kon niet meer remmen.

Nu hoeft hij nog maar drie plekjes te vinden.

Een medemens met bontjas staat met een lang mes zijn grote tanden schoon te peuteren.
Trees en Willie zijn er iets eerder dan de twaalf capuchons.
Zit niet veel bij.
Wel een rolletje met papiergeld.
“Trees, hoe komt Teun hier aan?”
“Hij weet het waarschijnlijk niet eens.”
“1000 dollar is niet niks.”
“Vast gejat en wist niet wat hij er mee moest.”

De bankbediende kijkt afkeurend naar Willie.
Alles tegelijk.
Van achteren komt Makkie binnen. Zeiknat.
Hevig zwaaiend en dreigend met een plastic pistooltje.
Van rechts komt Bill binnen met een grote zak.
“Godverdomme heb ik dat.” klaagt Willie.
“Sta als een eerlijk burger geld te wisselen, wordt de bank overvallen.”
“Trees, let op, we kennen ze niet hoor!”
“Ha die Willie,”roept Bill, “alles wel, jongen?”
“Kut.”
Vijftig Iphones filmden er lustig op los.
Dat stond er op.
En wat maakt het uit?
Levenslang krijgen is toch hooguit nog een dag.

Willie helpt de zak vullen.
Makkie staat nog steeds met z’n speelgoed indruk te maken.
Bill geeft Makkie een hengst voor z’n harses.
Die gaat er  gedwee even bij liggen.
Bloed kwam uit z’n ogen.
De bankbediende springt er heldhaftig bovenop.
Hij ramt er op los.
Kijkend naar het mooie meisje of ze dat wel zag.

Willie vindt het mooi geweest.

Trees en Willie lopen naar de slijter.
“We gaan ons eerst even indrinken.”
“Gaat het allemaal wat makkelijker.”

Doosje jonge jenever.
Moet genoeg zijn.
Karretje moest er wel voor leeg.
Behalve moe.
Die mag er in blijven.

De begraafplaats is geen begraafplaats.
Er is een kerk, dus heet het kerkhof.

Een paar mannen met scheppen lopen weg.
“Wat een prachtig gat zeg.”
“Dat scheelt een hoop werk.”

Er was niet veel voor nodig.
Een halve liter voor Trees.
Ze zit te duizelen.
Willie begint te zingen.

Plechtig kiepert hij z’n karretje leeg in het gat.
“Dag moe.”
“Het ga je goed.”
“Ze rust in Pies, he Willieman?” brabbelt Trees
“Ja, moe daar ga je.”

Samen gaan ze op de rand zitten.
Willie vindt het mooi geweest.
Trees krijgt de fles net niet helemaal leeg.
Dondert voorover.
Willie heeft er iets meer voor nodig.

Dat was dat.

Het zonnetje schijnt, maar niet te fel.
Echt zo’n eerste voorjaarsdag waar je maanden naar uit kijkt.
De kleine bladeren zijn prachtig nieuw groen.
Alle meisjes lopen in korte rokjes.
Zonovergoten weerkaatsen de goudkleurige beelden op de kerk het zonlicht in je ogen.


©Ghans Dorrebrein
Home